BWBR0017332
Geldig vanaf 2004-10-30
Artikel 4
Besluit EOS: demo en transitie-experimenten
1. Als projectkosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de rechtstreeks aan de uitvoering van het project toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde extra investeringskosten die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de energiebesparing, de afvang en permanente opslag van CO 2-emissies of ingebruikneming van de hernieuwbare energiebron. Punt 37 van de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37) wordt hierbij in acht genomen.
2. Extra investeringskosten als bedoeld in het eerste lid hebben in elk geval betrekking op:
a. kosten van verwerving of op andere titel dan verwerving in gebruik verkregen bedrijfsterreinen;
b. kosten van verwerving, huurkoop of lease van bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen;
c. kosten van aangeschafte machines en apparatuur;
d. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen;
e. kosten van onderhoud en inspectie, administratie en beheer, ontmanteling, onvoorziene reparaties, verplichte milieumonitoring en verzekeringen;
f. kosten van geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van het project en daartoe te rekenen productiekosten;
g. kosten van tenaamstelling, verwerving en instandhouding van rechten van intellectuele eigendom;
h. aan derden verschuldigde kosten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden als projectkosten gemaakt door een ondernemer in de landbouwsector in aanmerking genomen:
a. de kosten van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur,
b. de kosten van bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken,
c. de algemene kosten, zoals kosten van architecten en ingenieurs, en voor het verkrijgen van octrooien en licenties, tot een maximum van 12 procent van de onder a en b bedoelde kosten, en
d. de aankoop van grond.
4. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger de die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de kostensoorten, bedoeld in het eerste lid, en
b. de verrekening van voordelen als bedoeld in punt 37 van de in het eerste lid genoemde kaderregeling.
2. Extra investeringskosten als bedoeld in het eerste lid hebben in elk geval betrekking op:
a. kosten van verwerving of op andere titel dan verwerving in gebruik verkregen bedrijfsterreinen;
b. kosten van verwerving, huurkoop of lease van bedrijfsgebouwen en daartoe te rekenen centrale voorzieningen;
c. kosten van aangeschafte machines en apparatuur;
d. kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen;
e. kosten van onderhoud en inspectie, administratie en beheer, ontmanteling, onvoorziene reparaties, verplichte milieumonitoring en verzekeringen;
f. kosten van geleidelijk opstarten en in gebruik nemen van het project en daartoe te rekenen productiekosten;
g. kosten van tenaamstelling, verwerving en instandhouding van rechten van intellectuele eigendom;
h. aan derden verschuldigde kosten.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid worden als projectkosten gemaakt door een ondernemer in de landbouwsector in aanmerking genomen:
a. de kosten van nieuwe machines en nieuw materieel, met inbegrip van computerprogrammatuur,
b. de kosten van bouw, verwerving of verbetering van onroerende zaken,
c. de algemene kosten, zoals kosten van architecten en ingenieurs, en voor het verkrijgen van octrooien en licenties, tot een maximum van 12 procent van de onder a en b bedoelde kosten, en
d. de aankoop van grond.
4. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger de die de kosten heeft gemaakt de omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
5. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent:
a. de kostensoorten, bedoeld in het eerste lid, en
b. de verrekening van voordelen als bedoeld in punt 37 van de in het eerste lid genoemde kaderregeling.