BWBR0017332
Geldig vanaf 2004-10-30
Artikel 11
Besluit EOS: demo en transitie-experimenten
1. Onze Minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 10afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie energiedemonstratieprojecten en energietransitie-experimenten.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
d. indien van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.
3. In het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, geeft de commissie aan Onze Minister tevens een negatief advies:
a. indien het project niet ligt op een door Onze Minister erkend transitiepad;
b. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waarin een ondernemer de leiding heeft en waarin voorts actief wordt samengewerkt, meerdere disciplines vertegenwoordigd zijn en alle deelnemers naar vermogen investeren;
c. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt maakt dat de deelnemers in het samenwerkingsverband hun bedoelingen met de uitvoering van het project expliciet hebben gemaakt en met elkaar hebben gedeeld.
4. De commissie rangschikt:
a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 1, per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding en het meer innovatief van aard is;
b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, per transitiepad de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding.
5. Voor de rangschikking kunnen bij regeling van Onze Minister wegingsfactoren voor de doelstellingen, bedoeld in het vierde lid, worden vastgesteld.
6. Voor duurzame energiehuishouding en innovatie alsmede voor duurzame energiehuishouding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, kunnen bij regeling van Onze Minister criteria worden vastgesteld.
2. De commissie geeft aan Onze Minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het project;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
c. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van het besluit en de daarop berustende bepalingen;
d. indien van de sociaal-wetenschappelijke en economische effecten van het project onvoldoende blijk wordt gegeven.
3. In het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, geeft de commissie aan Onze Minister tevens een negatief advies:
a. indien het project niet ligt op een door Onze Minister erkend transitiepad;
b. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het project wordt uitgevoerd door een samenwerkingsverband waarin een ondernemer de leiding heeft en waarin voorts actief wordt samengewerkt, meerdere disciplines vertegenwoordigd zijn en alle deelnemers naar vermogen investeren;
c. indien onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt maakt dat de deelnemers in het samenwerkingsverband hun bedoelingen met de uitvoering van het project expliciet hebben gemaakt en met elkaar hebben gedeeld.
4. De commissie rangschikt:
a. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 1, per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding en het meer innovatief van aard is;
b. in het geval van een project als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, onder 2, per transitiepad de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naar mate het meer bijdraagt aan een duurzame energiehuishouding.
5. Voor de rangschikking kunnen bij regeling van Onze Minister wegingsfactoren voor de doelstellingen, bedoeld in het vierde lid, worden vastgesteld.
6. Voor duurzame energiehuishouding en innovatie alsmede voor duurzame energiehuishouding als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, kunnen bij regeling van Onze Minister criteria worden vastgesteld.