BWBR0017252
Geldig vanaf 2023-10-13
Artikel 9a
Regeling Wet kinderopvang
1. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
2. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor pedagogisch beleidsmedewerkers worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
3. In afwijking van het eerste lid worden de pedagogische modules die voor andersgekwalificeerde beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus voor andersgekwalificeerde beroepskrachten aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
4. De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de beroepskracht die als Nederlandssprekende beroepskracht werkzaam is de Nederlandse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen, of op ten minste niveau 2F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
5. Ten aanzien van de beroepskracht die uitsluitend als Friessprekende beroepskracht werkzaam is, beschikt de houder van een kindercentrum over:
a. een kopie van een bewijsstuk als bedoeld in het vierde lid; of
b. een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Friessprekende beroepskracht de Friese taal beheerst op niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen.
2. De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken die voor pedagogisch beleidsmedewerkers worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus worden aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, derde lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
3. In afwijking van het eerste lid worden de pedagogische modules die voor andersgekwalificeerde beroepskrachten worden genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Kinderopvang voor Kindercentra en Gastouderbureaus voor andersgekwalificeerde beroepskrachten aangemerkt als beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken voor een passende opleiding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
4. De houder van een kindercentrum beschikt over een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de beroepskracht die als Nederlandssprekende beroepskracht werkzaam is de Nederlandse taal voor de deelvaardigheden gesprekken voeren, luisteren en spreken beheerst op ten minste niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen, of op ten minste niveau 2F als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.
5. Ten aanzien van de beroepskracht die uitsluitend als Friessprekende beroepskracht werkzaam is, beschikt de houder van een kindercentrum over:
a. een kopie van een bewijsstuk als bedoeld in het vierde lid; of
b. een kopie van een bewijsstuk waaruit blijkt dat de Friessprekende beroepskracht de Friese taal beheerst op niveau B1 van het Europees Referentiekader voor Talen.