BWBR0017083
Geldig vanaf 2004-11-14
Artikel 12
Reglement Videohelmcamerasysteem beredenen Korps landelijke politiediensten
1. Een ieder kan de registerbeheerder ingevolge artikel 20 van de wetverzoeken hem mede te delen:
a. of hij in het register voorkomt;
b. welke gegevens over hem in het register zijn opgenomen;
c. aan wie of aan welke instantie(s) gegevens over hem zijn verstrekt.
2. Een verzoek tot kennisneming dient schriftelijk te worden gericht aan de registerbeheerder, ter attentie van de privacyfunctionaris, Postbus 100 3970 AC Driebergen. Het verzoek is ontvankelijk na ontvangst van de betaling van € 4,50 (vier euro en vijftig cent) op postbankrekeningnummer 4738539 van het Korps landelijke politiediensten onder vermelding van ‘privacyverzoek’.
3. Een verzoek tot kennisneming wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers.
4. Een verzoek tot kennisneming kan, onder overlegging van een bijzondere daartoe strekkende schriftelijke machtiging, namens de betrokkene worden gedaan door diens advocaat of procureur.
5. Een verzoek tot kennisneming kan, onder overlegging van een bijzondere daartoe strekkende schriftelijke machtiging, namens de betrokkene eveneens worden gedaan door een ander. Mededelingen aan een dergelijke gemachtigde vinden niet plaats indien aangenomen kan worden dat deze mede een zelfstandig belang heeft bij de mede te delen gegevens of indien tegen hem ernstige bezwaren bestaan.
6. Op een verzoek tot kennisneming wordt binnen vier weken nadat het verzoek ontvankelijk is, beslist.
7. De registerbeheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. De behandelend functionaris kan verlangen dat de verzoeker hem bescheiden toont waaruit zijn identiteit blijkt, alsmede die van degene namens wie hij optreedt.
8. Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de wet, blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak danwel indien gewichtige belangen van derden daartoe noodzaken.
9. Overeenkomstig artikel 20, eerste lid van de wet, wordt in geen geval mededeling in antwoord op een verzoek tot kennisneming in schriftelijke vorm gedaan.
a. of hij in het register voorkomt;
b. welke gegevens over hem in het register zijn opgenomen;
c. aan wie of aan welke instantie(s) gegevens over hem zijn verstrekt.
2. Een verzoek tot kennisneming dient schriftelijk te worden gericht aan de registerbeheerder, ter attentie van de privacyfunctionaris, Postbus 100 3970 AC Driebergen. Het verzoek is ontvankelijk na ontvangst van de betaling van € 4,50 (vier euro en vijftig cent) op postbankrekeningnummer 4738539 van het Korps landelijke politiediensten onder vermelding van ‘privacyverzoek’.
3. Een verzoek tot kennisneming wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van 16 jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers.
4. Een verzoek tot kennisneming kan, onder overlegging van een bijzondere daartoe strekkende schriftelijke machtiging, namens de betrokkene worden gedaan door diens advocaat of procureur.
5. Een verzoek tot kennisneming kan, onder overlegging van een bijzondere daartoe strekkende schriftelijke machtiging, namens de betrokkene eveneens worden gedaan door een ander. Mededelingen aan een dergelijke gemachtigde vinden niet plaats indien aangenomen kan worden dat deze mede een zelfstandig belang heeft bij de mede te delen gegevens of indien tegen hem ernstige bezwaren bestaan.
6. Op een verzoek tot kennisneming wordt binnen vier weken nadat het verzoek ontvankelijk is, beslist.
7. De registerbeheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. De behandelend functionaris kan verlangen dat de verzoeker hem bescheiden toont waaruit zijn identiteit blijkt, alsmede die van degene namens wie hij optreedt.
8. Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid van de wet, blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak danwel indien gewichtige belangen van derden daartoe noodzaken.
9. Overeenkomstig artikel 20, eerste lid van de wet, wordt in geen geval mededeling in antwoord op een verzoek tot kennisneming in schriftelijke vorm gedaan.