BWBR0017053
Geldig vanaf 2007-11-05
Artikel 9
Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur
1. Het bevoegd gezag verbindt zodanige voorschriften aan de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtmet betrekking tot een inrichting voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, dat ten minste de selectieve behandeling van materialen en onderdelen, bedoeld in bijlage II bij richtlijn nr. 2002/96, wordt gerealiseerd en waarbij de verwerking ten minste omvat het verwijderen van alle vloeistoffen.
2. Het bevoegd gezag verbindt zodanige voorschriften aan de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtmet betrekking tot een inrichting voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, dat de technische voorschriften van bijlage III bij richtlijn nr. 2002/96worden gerealiseerd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en de inrichting van de in artikel 4genoemde distributeur voorzover het ingenomen afgedankte elektrische of elektronische apparatuur betreft die tijdelijk wordt opgeslagen voorafgaand aan het vervoer naar een inrichting voor verdere verwerking.
4. Het bevoegd gezag verbindt uiterlijk negen maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan alle vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheervoor inrichtingen die afgedankte elektrische en elektronische apparatuur verwerken, die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling golden.
2. Het bevoegd gezag verbindt zodanige voorschriften aan de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrechtmet betrekking tot een inrichting voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, dat de technische voorschriften van bijlage III bij richtlijn nr. 2002/96worden gerealiseerd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een inrichting als bedoeld in artikel 3, tweede lid, en de inrichting van de in artikel 4genoemde distributeur voorzover het ingenomen afgedankte elektrische of elektronische apparatuur betreft die tijdelijk wordt opgeslagen voorafgaand aan het vervoer naar een inrichting voor verdere verwerking.
4. Het bevoegd gezag verbindt uiterlijk negen maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in het eerste en tweede lid, aan alle vergunningen als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheervoor inrichtingen die afgedankte elektrische en elektronische apparatuur verwerken, die onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling golden.