BWBR0016871
Geldig vanaf 2004-06-30
Artikel 3
Besluit vervallen causaliteit en voortzetting voorzieningen wetten voor oorlogsgetroffenen
1. De voortzetting, bedoeld in artikel 11a, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945, artikel 3, achtste lid, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, artikel 15, derde lid, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, artikel 21a, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945en artikel 33a, tweede lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945, heeft betrekking op de door de overleden partner gedurende een jaar voor het overlijden ontvangen:
a. vergoeding van of tegemoetkoming in de autokosten;
b. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten;
c. vergoeding van of tegemoetkoming in de telefoonkosten;
d. tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer;
e. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten voor huishoudelijke hulp;
f. vergoeding van of tegemoetkoming in de huurkosten;
g. vergoeding als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en artikel 32, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.
2. De in het eerste lid, onder a tot en met g, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt ook voortgezet indien de toekenning daarvan met terugwerkende kracht over het jaar voorafgaand aan het overlijden van de partner heeft plaatsgevonden en er gedurende dat jaar ter zake daadwerkelijk kosten zijn gemaakt.
a. vergoeding van of tegemoetkoming in de autokosten;
b. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten;
c. vergoeding van of tegemoetkoming in de telefoonkosten;
d. tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer;
e. vergoeding van of tegemoetkoming in de kosten voor huishoudelijke hulp;
f. vergoeding van of tegemoetkoming in de huurkosten;
g. vergoeding als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945 en artikel 32, vierde lid, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945.
2. De in het eerste lid, onder a tot en met g, genoemde vergoeding of tegemoetkoming wordt ook voortgezet indien de toekenning daarvan met terugwerkende kracht over het jaar voorafgaand aan het overlijden van de partner heeft plaatsgevonden en er gedurende dat jaar ter zake daadwerkelijk kosten zijn gemaakt.