BWBR0016751
Geldig vanaf 2008-10-11
Artikel 5
Besluit mandaat, volmacht en machtiging Directoraat-Generaal Rijksvoorlichtingsdienst 2004
1. Het hoofd en plaatsvervangend hoofd Communicatie Koninklijk Huis, het hoofd Analyse & Informatievoorziening Regeringsbeleid en het hoofd Gemeenschappelijk Communicatiebeleid wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijfentwintigduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
2. Het hoofd Informatievoorziening Regeringsbeleid wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijftienhonderd euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
3. Het hoofd van het Stafbureau Bedrijfsvoering wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmee een bedrag is gemoeid dat per geval de vijfduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
4. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt tevens de bevoegdheid verleend om te beschikken over door de secretaris-generaal aan de directeur-generaal toegewezen budgetten, voor zover die budgetten betrekking hebben op de aan hen toevertrouwde aangelegenheden.
5. De projectdirecteur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijfentwintigduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
6. De projectleider Invoering Één Rijksbreed Logo en Huisstijl wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijfentwintigduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
7. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste tot en met derde lid maakt van de aan hem verleende volmacht en machtiging uitsluitend gebruik voor zover het aangelegenheden betreft die behoren tot zijn werkterrein en naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat deze behoren te worden afgedaan door de directeur-generaal, de plaatsvervangend directeur-generaal, de directeur of de plaatsvervangend directeur onder wie hij ressorteert.
8. De bevoegdheden krachtens het eerste tot en met vierde lid worden nader bepaald door en uitgeoefend met inachtneming van:
a. departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen;
b. nadere procedures en instructies van de directeur-generaal.
2. Het hoofd Informatievoorziening Regeringsbeleid wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijftienhonderd euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
3. Het hoofd van het Stafbureau Bedrijfsvoering wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmee een bedrag is gemoeid dat per geval de vijfduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
4. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt tevens de bevoegdheid verleend om te beschikken over door de secretaris-generaal aan de directeur-generaal toegewezen budgetten, voor zover die budgetten betrekking hebben op de aan hen toevertrouwde aangelegenheden.
5. De projectdirecteur Overheidscommunicatie Nieuwe Stijl wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijfentwintigduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
6. De projectleider Invoering Één Rijksbreed Logo en Huisstijl wordt volmacht en machtiging verstrekt voor handelingen waarmede een bedrag is gemoeid dat per geval vijfentwintigduizend euro niet te boven gaat en waarvoor financiële dekking is vanuit het prestatieplan.
7. Een functionaris zoals bedoeld in het eerste tot en met derde lid maakt van de aan hem verleende volmacht en machtiging uitsluitend gebruik voor zover het aangelegenheden betreft die behoren tot zijn werkterrein en naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat deze behoren te worden afgedaan door de directeur-generaal, de plaatsvervangend directeur-generaal, de directeur of de plaatsvervangend directeur onder wie hij ressorteert.
8. De bevoegdheden krachtens het eerste tot en met vierde lid worden nader bepaald door en uitgeoefend met inachtneming van:
a. departementale procedures, richtlijnen en aanwijzingen;
b. nadere procedures en instructies van de directeur-generaal.