BWBR0016428
Geldig vanaf 2004-03-05
Artikel 8
Organisatie- en mandaatregeling OCW 2004
1. Aan de minister onderscheidenlijk staatssecretaris is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:
a. gericht aan de Koningin,
b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges,
c. gericht aan ministers en staatssecretarissen,
d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris,
e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies,
f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State,
g. gericht aan de Algemene Rekenkamer,
h. houdende beslissingen op een bezwaarschrift of een beroepschrift, en
i. houdende algemeen verbindende voorschriften.
2. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in de onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal.
a. gericht aan de Koningin,
b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges,
c. gericht aan ministers en staatssecretarissen,
d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of staatssecretaris,
e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies,
f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State,
g. gericht aan de Algemene Rekenkamer,
h. houdende beslissingen op een bezwaarschrift of een beroepschrift, en
i. houdende algemeen verbindende voorschriften.
2. De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in de onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal.