BWBR0016420
Geldig vanaf 2010-12-16
Artikel 2
Regeling rechtspositie wethouders
1. De verhuiskostenvergoeding, bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder b, van het Rechtspositiebesluit wethouders, betreft het bedrag van:
a. de kosten voor het transport van de bagage en de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van bagage en inboedel;
b. andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, waaronder begrepen de kosten van inrichting van de woning en tijdelijke opslag, tot een maximum van € 5.818,46.
2. Kosten in verband met de aan- of verkoop van een woning en verbouwingskosten worden niet aangemerkt als kosten als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten ontvangt de wethouder in aanvulling op de verhuiskostenvergoeding, bedoeld in het eerste lid, een tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming, op voorwaarde dat hij in de gemeente is ingeschreven in de basisregistratie personen.
4. De tegemoetkoming in de dubbele woonlasten bestaat uit het bedrag van de gemaakte kosten van huisvesting en bedraagt ten hoogste 18% van de bezoldiging.
5. Onder de gemaakte kosten van de huisvesting worden verstaan:
a. het bedrag van de huur van de woning in de gemeente waar de wethouder is benoemd, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water;
b. de rente van schulden ter verwerving van de woning in de gemeente waar de wethouder is benoemd, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water; of
c. de kosten van een door die gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water.
6. De tegemoetkoming gaat in op de eerste dag van de maand na de benoeming waarop de dubbele woonlasten ontstaan en eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de woning waar de wethouder ten tijde van zijn benoeming woonde, is verkocht, of na afloop van de in het derde lid genoemde maximale duur. De datum van verkoop wordt bepaald op de dag dat de akte betreffende de overdracht van de woning bij de notaris is gepasseerd.
7. De tegemoetkoming wordt slechts verleend indien:
a. de wethouder binnen drie jaar na zijn benoeming een woning huurt of koopt in de gemeente waarin hij is benoemd; en
b. de woning waar de wethouder ten tijde van zijn benoeming woonde, voor een ieder kenbaar te koop staat en er, nadat eventuele huurinkomsten uit die woning in mindering zijn gebracht op de rente over de schulden ter verwerving van die woning, een bedrag resteert dat voor zijn rekening komt.
8. De verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over de tegemoetkoming worden door de gemeente vergoed aan de wethouder.
a. de kosten voor het transport van de bagage en de inboedel van de betrokkene en zijn gezinsleden naar de nieuwe woning, waaronder begrepen de kosten van het in- en uitpakken van bagage en inboedel;
b. andere direct uit de verhuizing voortvloeiende kosten, waaronder begrepen de kosten van inrichting van de woning en tijdelijke opslag, tot een maximum van € 5.818,46.
2. Kosten in verband met de aan- of verkoop van een woning en verbouwingskosten worden niet aangemerkt als kosten als bedoeld in het eerste lid.
3. Indien zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten ontvangt de wethouder in aanvulling op de verhuiskostenvergoeding, bedoeld in het eerste lid, een tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming, op voorwaarde dat hij in de gemeente is ingeschreven in de basisregistratie personen.
4. De tegemoetkoming in de dubbele woonlasten bestaat uit het bedrag van de gemaakte kosten van huisvesting en bedraagt ten hoogste 18% van de bezoldiging.
5. Onder de gemaakte kosten van de huisvesting worden verstaan:
a. het bedrag van de huur van de woning in de gemeente waar de wethouder is benoemd, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water;
b. de rente van schulden ter verwerving van de woning in de gemeente waar de wethouder is benoemd, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water; of
c. de kosten van een door die gemeente ter beschikking gestelde woonvoorziening, vermeerderd met de kosten voor elektriciteit, gas en water.
6. De tegemoetkoming gaat in op de eerste dag van de maand na de benoeming waarop de dubbele woonlasten ontstaan en eindigt met ingang van de eerste dag van de maand waarin de woning waar de wethouder ten tijde van zijn benoeming woonde, is verkocht, of na afloop van de in het derde lid genoemde maximale duur. De datum van verkoop wordt bepaald op de dag dat de akte betreffende de overdracht van de woning bij de notaris is gepasseerd.
7. De tegemoetkoming wordt slechts verleend indien:
a. de wethouder binnen drie jaar na zijn benoeming een woning huurt of koopt in de gemeente waarin hij is benoemd; en
b. de woning waar de wethouder ten tijde van zijn benoeming woonde, voor een ieder kenbaar te koop staat en er, nadat eventuele huurinkomsten uit die woning in mindering zijn gebracht op de rente over de schulden ter verwerving van die woning, een bedrag resteert dat voor zijn rekening komt.
8. De verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over de tegemoetkoming worden door de gemeente vergoed aan de wethouder.