Artikel 1
1. Voor een vergoeding voor reis- en pensionkosten als bedoeld in artikel 22, eerste lid, onder a, van het Rechtspositiebesluit wethouders, komt de wethouder in aanmerking als hij nog niet in de gemeente waar hij is benoemd in de basisregistratie personen is ingeschreven. De vergoeding bedraagt:
a. een maandelijks bedrag van de gemaakte pensionkosten doch ten hoogste 18% van de bezoldiging;
b. voor reiskosten tussen de woonplaats en de plaats van verblijf: 1°. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer,
2°. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
1°. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer,
2°. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
2. Indien geen aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding van pensionkosten, bedraagt de vergoeding voor het reizen tussen de woonplaats en de gemeente:
a. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer;
b. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
3. Onder gemaakte pensionkosten worden verstaan de kosten die de wethouder maakt voor tijdelijke huisvesting in de gemeente waarin hij is benoemd. In deze kosten zijn begrepen de kosten van elektriciteit, gas en water, maar niet de kosten die in rekening worden gebracht voor overige diensten of zaken.
4. Onder de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verstaan de kosten van voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een veerboot.
5. Het recht op de vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, vervalt een jaar na de dag waarop de benoeming als wethouder ingaat, of, indien de raad ontheffing heeft verleend van het vereiste van ingezetenschap, bedoeld in artikel 36a, tweede lid, van de Gemeentewet, op het tijdstip waarop geen ontheffing meer geldt van het vereiste van ingezetenschap.
6. De verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over de vergoeding voor pensionkosten worden door de gemeente aan de wethouder vergoed.
a. een maandelijks bedrag van de gemaakte pensionkosten doch ten hoogste 18% van de bezoldiging;
b. voor reiskosten tussen de woonplaats en de plaats van verblijf: 1°. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer,
2°. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
1°. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer,
2°. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
2. Indien geen aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding van pensionkosten, bedraagt de vergoeding voor het reizen tussen de woonplaats en de gemeente:
a. de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer;
b. bij gebruik van een eigen personenauto, een bedrag van € 0,15 per afgelegde kilometer.
3. Onder gemaakte pensionkosten worden verstaan de kosten die de wethouder maakt voor tijdelijke huisvesting in de gemeente waarin hij is benoemd. In deze kosten zijn begrepen de kosten van elektriciteit, gas en water, maar niet de kosten die in rekening worden gebracht voor overige diensten of zaken.
4. Onder de kosten voor het gebruik van het openbaar vervoer, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verstaan de kosten van voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of via een geleidesysteem voortbewogen voertuig dan wel met een veerpont of een veerboot.
5. Het recht op de vergoeding, bedoeld in het eerste en tweede lid, vervalt een jaar na de dag waarop de benoeming als wethouder ingaat, of, indien de raad ontheffing heeft verleend van het vereiste van ingezetenschap, bedoeld in artikel 36a, tweede lid, van de Gemeentewet, op het tijdstip waarop geen ontheffing meer geldt van het vereiste van ingezetenschap.
6. De verschuldigde loon- en inkomstenbelasting over de vergoeding voor pensionkosten worden door de gemeente aan de wethouder vergoed.