BWBR0016372
Geldig vanaf 2011-04-19
Artikel 4.3
Regeling vissersvaartuigen
Vislieren met elektrische of hydraulische aandrijving zijn zodanig ingericht dat:
a. het inschakelen van de aandrijfmotor alleen vanuit de ruststand van de bedieningsorganen kan geschieden,
b. bij het wegvallen van de netspanning of hydraulische druk de remmen automatisch in werking treden,
c. bij toepassing van elektrische hulpstroom het ontstaan van een aardsluiting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de remmen kan leiden, en
d. het in bedrijf komen van de vislier kan worden verhinderd door een in de directe omgeving van de vislier opgestelde werkschakelaar, een noodstopvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 of een andere doelmatige inrichting.
a. het inschakelen van de aandrijfmotor alleen vanuit de ruststand van de bedieningsorganen kan geschieden,
b. bij het wegvallen van de netspanning of hydraulische druk de remmen automatisch in werking treden,
c. bij toepassing van elektrische hulpstroom het ontstaan van een aardsluiting in de hulpstroomketen niet tot het in gang komen of blijven van de aandrijfmotor of het lichten of gelicht blijven van de remmen kan leiden, en
d. het in bedrijf komen van de vislier kan worden verhinderd door een in de directe omgeving van de vislier opgestelde werkschakelaar, een noodstopvoorziening als bedoeld in artikel 4.1 of een andere doelmatige inrichting.