BWBR0016362
Geldig vanaf 2004-02-21
Artikel 1.6
Subsidieregeling milieugerichte technologie
1. De subsidieontvanger is verplicht:
a. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor benodigde vergunningen of ontheffingen;
b. indien de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen of ontheffingen niet zullen worden verkregen, de minister daarvan onmiddellijk in kennis te stellen;
c. indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, er voor zorg te dragen dat de binnen het project ontwikkelde eerste prototypen of proefprojecten niet worden aangewend voor industriële toepassingen of commerciële exploitatie, en
d. indien het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject,
e. industrieel onderzoeksproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, aan te geven wat het effect is van de subsidie op de gebruikelijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten van de ondernemer.
2. Het eerste lid, onderdeel d, geldt niet voor een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kleine, middelgrote of micro-onderneming drijft als bedoeld in aanbeveling nr. 2003/361/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 mei 2003 (PbEU L 124) en voor een subsidieontvanger die geen ondernemer is.
a. bij de uitvoering van het project te beschikken over de daarvoor benodigde vergunningen of ontheffingen;
b. indien de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen of ontheffingen niet zullen worden verkregen, de minister daarvan onmiddellijk in kennis te stellen;
c. indien het een preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, er voor zorg te dragen dat de binnen het project ontwikkelde eerste prototypen of proefprojecten niet worden aangewend voor industriële toepassingen of commerciële exploitatie, en
d. indien het een fundamenteel onderzoeksproject, industrieel haalbaarheidsproject,
e. industrieel onderzoeksproject of preconcurrentieel ontwikkelingsproject betreft, aan te geven wat het effect is van de subsidie op de gebruikelijke onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten van de ondernemer.
2. Het eerste lid, onderdeel d, geldt niet voor een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een kleine, middelgrote of micro-onderneming drijft als bedoeld in aanbeveling nr. 2003/361/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 mei 2003 (PbEU L 124) en voor een subsidieontvanger die geen ondernemer is.