BWBR0016301
Geldig vanaf 2004-01-28
Artikel 34
Regeling luchtvaartvertoningen
1. De deelnemer met een categorie A demonstratietoestel, zeilvliegtuig of valschermzweeftoestel zorgt ervoor dat ten aanzien van de vertoningvlucht:
a. de vertoninglijn en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
b. de vastgestelde minimum vlieghoogte in acht wordt genomen;
c. de uitvoering van het onderdeel niet eerder begint dan na het bereiken van de vastgestelde minimum vlieghoogte en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
d. manoeuvres zodanig worden uitgevoerd dat de vertoninglijn niet wordt overschreden;
e. geen convergerende vluchten in de richting van de vertoninglijn worden uitgevoerd;
f. in een luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse C tot en met G niet wordt gevlogen met een snelheid groter dan 250 knopen, tenzij in de vergunning dan wel in een tijdelijk gebied met beperkingen een grotere snelheid is vastgesteld;
g. de minimum zichtweersomstandigheden zoals vastgesteld in tabel 4 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 20.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien:
a. het demonstratietoestel na de start een van het publiek af gerichte bocht maakt teneinde naar de vertoninglijn en de minimum hoogte te worden gemanoeuvreerd;
b. na het beëindigen van de vertoning het demonstratietoestel naar de baan wordt gestuurd, waarbij de hartlijn van de baan niet richting het publiek overschreden wordt.
a. de vertoninglijn en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
b. de vastgestelde minimum vlieghoogte in acht wordt genomen;
c. de uitvoering van het onderdeel niet eerder begint dan na het bereiken van de vastgestelde minimum vlieghoogte en de minimum scheidingsafstanden zoals weergegeven in tabel 5 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen;
d. manoeuvres zodanig worden uitgevoerd dat de vertoninglijn niet wordt overschreden;
e. geen convergerende vluchten in de richting van de vertoninglijn worden uitgevoerd;
f. in een luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse C tot en met G niet wordt gevlogen met een snelheid groter dan 250 knopen, tenzij in de vergunning dan wel in een tijdelijk gebied met beperkingen een grotere snelheid is vastgesteld;
g. de minimum zichtweersomstandigheden zoals vastgesteld in tabel 4 van de bijlage, behorend bij deze regeling, in acht worden genomen, onverminderd het bepaalde in artikel 20.
2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien:
a. het demonstratietoestel na de start een van het publiek af gerichte bocht maakt teneinde naar de vertoninglijn en de minimum hoogte te worden gemanoeuvreerd;
b. na het beëindigen van de vertoning het demonstratietoestel naar de baan wordt gestuurd, waarbij de hartlijn van de baan niet richting het publiek overschreden wordt.