BWBR0016264
Geldig vanaf 2004-01-23
Artikel 3
Beleidsregel opschorting en inhouding van bekostiging bij onderwijsinstellingen
1. De minister houdt bekostiging in indien:
a een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur handelingen heeft verricht of nagelaten die ertoe hebben geleid dat voor de school of instelling meer bekostiging is verkregen dan waarop recht bestaat,
b een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur handelingen heeft verricht of nagelaten die ertoe hebben geleid dat de bekostiging onrechtmatig is besteed, of
c een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur anderszins handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de wet of een daarop gebaseerde regeling waardoor de instelling financieel voordeel heeft verkregen of het rijk financieel nadeel heeft ondervonden.
2. Onder het verrichten of nalaten van handelingen die ertoe hebben geleid dat voor de school of instelling meer bekostiging is verkregen dan waarop recht bestaat, zijn in ieder geval begrepen:
a het ten onrechte voor bekostiging laten meetellen van deelnemers aan het onderwijs dan wel examens, of
b het niet naleven van voorschriften omtrent het registreren of inschrijven van deelnemers aan het onderwijs dan wel examens.
3. Onder het verrichten of nalaten van handelingen die ertoe hebben geleid dat de bekostiging onrechtmatig is besteed, zijn in ieder geval begrepen:
a het besteden van de bekostiging anders dan overeenkomstig de bestemming,
b het niet besteden van geoormerkte budgetten overeenkomstig het oormerk,
c het niet of niet geheel verrichten van activiteiten waarvoor de bekostiging is bedoeld,
d het niet realiseren van prestatie-afspraken, of
e het beleggen of belenen in strijd met de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek (Regeling van 13 juli 2001, Uitleg OCenW-Regelingen 2001, nr. 19a).
a een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur handelingen heeft verricht of nagelaten die ertoe hebben geleid dat voor de school of instelling meer bekostiging is verkregen dan waarop recht bestaat,
b een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur handelingen heeft verricht of nagelaten die ertoe hebben geleid dat de bekostiging onrechtmatig is besteed, of
c een bevoegd gezag dan wel een instellingsbestuur anderszins handelingen heeft verricht of nagelaten in strijd met de wet of een daarop gebaseerde regeling waardoor de instelling financieel voordeel heeft verkregen of het rijk financieel nadeel heeft ondervonden.
2. Onder het verrichten of nalaten van handelingen die ertoe hebben geleid dat voor de school of instelling meer bekostiging is verkregen dan waarop recht bestaat, zijn in ieder geval begrepen:
a het ten onrechte voor bekostiging laten meetellen van deelnemers aan het onderwijs dan wel examens, of
b het niet naleven van voorschriften omtrent het registreren of inschrijven van deelnemers aan het onderwijs dan wel examens.
3. Onder het verrichten of nalaten van handelingen die ertoe hebben geleid dat de bekostiging onrechtmatig is besteed, zijn in ieder geval begrepen:
a het besteden van de bekostiging anders dan overeenkomstig de bestemming,
b het niet besteden van geoormerkte budgetten overeenkomstig het oormerk,
c het niet of niet geheel verrichten van activiteiten waarvoor de bekostiging is bedoeld,
d het niet realiseren van prestatie-afspraken, of
e het beleggen of belenen in strijd met de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek (Regeling van 13 juli 2001, Uitleg OCenW-Regelingen 2001, nr. 19a).