BWBR0016199
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 22
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2004
1. De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal kunnen hun vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hen te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hen ressorterende functionarissen. Zij kunnen daarbij bepalen dat deze ondermandaat kunnen verlenen respectievelijk volmacht en machtiging kunnen doorverlenen aan rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen.
2. Bevoegdheden ten aanzien van de volgende aangelegenheden kunnen niet worden doorverleend aan andere dan de in artikel 3, eerste lid, genoemde functionarissen:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,– of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. het op grond van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 toekennen van periodieke toeslagen voor zover het gaat om toeslagen om redenen van werving en behoud;
d. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,–;
e. de formatie van organisatieonderdelen;
f. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal hun bevoegdheden eveneens doorverlenen aan functionarissen die niet onder hen ressorteren, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kunnen de volgende bevoegdheden worden doorverleend aan de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,– of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zij toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. de formatie van organisatieonderdelen.
De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie kan deze bevoegdheden niet doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.
2. Bevoegdheden ten aanzien van de volgende aangelegenheden kunnen niet worden doorverleend aan andere dan de in artikel 3, eerste lid, genoemde functionarissen:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,– of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zijn toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. het op grond van artikel 22a van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 toekennen van periodieke toeslagen voor zover het gaat om toeslagen om redenen van werving en behoud;
d. de voorlopige buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,–;
e. de formatie van organisatieonderdelen;
f. het vaststellen en ondertekenen van beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal hun bevoegdheden eveneens doorverlenen aan functionarissen die niet onder hen ressorteren, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kunnen de volgende bevoegdheden worden doorverleend aan de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie:
a. het aangaan van overeenkomsten met een waarde van € 500.000,– of meer;
b. het benoemen van hoofden van afdelingen, subafdelingen en bureaus en van teamleiders aan wie bevoegdheden zij toegekend met betrekking tot personeelsaangelegenheden;
c. de formatie van organisatieonderdelen.
De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie kan deze bevoegdheden niet doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen.