BWBR0016097
Geldig vanaf 2005-06-27
Artikel 3a
Regeling op de consulaire tarieven
1. De vergoeding, genoemd in artikel 1, onderdeel s, onder 2° en 3°, is niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een machtiging tot voorlopig verblijf:
a. onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder m, van het Vreemdelingenbesluit 2000;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. met het oog op gezinshereniging ten behoeve van de belanghebbende die verblijf beoogt bij een vreemdeling aan wie een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, mits de belanghebbende binnen drie maanden na het verlenen van deze verblijfsvergunning de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend, dan wel dat zijn referent dit voor hem heeft gedaan, en de belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden voor gezinshereniging in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
e. met het oog op gezinshereniging van een minderjarig biologisch of juridisch kind met een slachtoffer-aangever of een getuige-aangever van mensenhandel; of
f. met het oog op gebruikmaking van de terugkeeroptie naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet.
2. De vergoeding, genoemd in artikel 1, onderdeel s, onder 2° en 3°, is niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een categorie machtigingen tot voorlopig verblijf die ingevolge een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie kosteloos moeten worden verleend.
3. De vergoeding, genoemd in artikel 1, onderdeel s, onder 4°, is niet verschuldigd door:
a. de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
b. het minderjarige kind dat een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
c. het minderjarige kind dat een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijf bij een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel verblijf geniet als bedoeld in artikel 6 van voornoemde wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van voornoemd besluit;
d. het gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES, dat gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indient;
e. de vreemdeling die een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 5.49, tweede lid, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
f. de vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, om redenen verband houdend met bescherming aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet, of
g. de vreemdeling met het oog op gezinshereniging van een minderjarig biologisch of juridisch kind met een slachtoffer-aangever of een getuige-aangever van mensenhandel.
Het tweede lid is van toepassing met dien verstande dat voor ‘ artikel 1, onderdeel s, onder 3°’ moet worden verstaan ‘artikel 1, onderdeel s, onder 4°’.
4. In aanvulling op het tweede lid kan de Minister van Justitie en Veiligheid in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.
a. onder de beperking genoemd in artikel 3.4, eerste lid, onder m, van het Vreemdelingenbesluit 2000;
b. vervallen;
c. vervallen;
d. met het oog op gezinshereniging ten behoeve van de belanghebbende die verblijf beoogt bij een vreemdeling aan wie een vergunning tot verblijf als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 is verleend, mits de belanghebbende binnen drie maanden na het verlenen van deze verblijfsvergunning de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf heeft ingediend, dan wel dat zijn referent dit voor hem heeft gedaan, en de belanghebbende voldoet aan alle voorwaarden voor gezinshereniging in het kader van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000;
e. met het oog op gezinshereniging van een minderjarig biologisch of juridisch kind met een slachtoffer-aangever of een getuige-aangever van mensenhandel; of
f. met het oog op gebruikmaking van de terugkeeroptie naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet.
2. De vergoeding, genoemd in artikel 1, onderdeel s, onder 2° en 3°, is niet verschuldigd indien de aanvraag betrekking heeft op een categorie machtigingen tot voorlopig verblijf die ingevolge een verdrag of besluit van een volkenrechtelijke organisatie kosteloos moeten worden verleend.
3. De vergoeding, genoemd in artikel 1, onderdeel s, onder 4°, is niet verschuldigd door:
a. de vreemdeling die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
b. het minderjarige kind dat een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
c. het minderjarige kind dat een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES, voor een verblijf bij een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel verblijf geniet als bedoeld in artikel 6 van voornoemde wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van voornoemd besluit;
d. het gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 12a van de Wet toelating en uitzetting BES, dat gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indient;
e. de vreemdeling die een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 5.49, tweede lid, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
f. de vreemdeling die een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, om redenen verband houdend met bescherming aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet, of
g. de vreemdeling met het oog op gezinshereniging van een minderjarig biologisch of juridisch kind met een slachtoffer-aangever of een getuige-aangever van mensenhandel.
Het tweede lid is van toepassing met dien verstande dat voor ‘ artikel 1, onderdeel s, onder 3°’ moet worden verstaan ‘artikel 1, onderdeel s, onder 4°’.
4. In aanvulling op het tweede lid kan de Minister van Justitie en Veiligheid in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.