BWBR0015964
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 3
Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar
1. Tot het moment waarop het LSOP de in het eerste en tweede lid van artikel 2bedoelde specifieke toetsen heeft samengesteld, dient de buitengewoon opsporingsambtenaar de toetsen volgens de eindtermen van de in artikel 13, van de Wet op het LSOP en het politieonderwijsopgenomen initiële opleiding assistent politiemedewerker of de initiële opleiding politiemedewerker, althans voor zover die eindtermen betrekking hebben op de aan de buitengewoon opsporingsambtenaar toegekende geweldsmiddelen alsmede betreffende de algemene bepalingen uit de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, met voldoende resultaat af te leggen.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar die in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 de onderdelen van de toetsen als genoemd in het eerste lid, die op hem betrekking hebben in verband met de geweldsmiddelen die aan hem zijn toegekend, met goed gevolg heeft afgelegd, wordt geacht te hebben voldaan aan de eisen zoals beschreven in het eerste lid.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar die in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 september 2003 de onderdelen van de toetsen als genoemd in het eerste lid, die op hem betrekking hebben in verband met de geweldsmiddelen die aan hem zijn toegekend, met goed gevolg heeft afgelegd, wordt geacht te hebben voldaan aan de eisen zoals beschreven in het eerste lid.