BWBR0015964
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 2
Regeling toetsing geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar
1. Een buitengewoon opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderjaar geoefend in het gebruik van de politiebevoegdheden dan wel een geweldsmiddel als bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, indien hij in het daaraan voorafgaande kalenderjaar met voldoende resultaat heeft afgelegd:
1°. de toets geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar, en
2°. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. Een buitengewoon opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid buitengewoon opsporingsambtenaar met voldoende resultaat heeft afgelegd.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt de buitengewoon opsporingsambtenaar van wie een geweldsmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar, geacht wederom geoefend te zijn in het gebruik van dat geweldsmiddel, vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat heeft afgelegd.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de buitengewoon opsporingsambtenaar slechts over een geweldsmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldsmiddel. Indien een buitengewoon opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldsmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de werkgever ingenomen.
1°. de toets geweldsbeheersing buitengewoon opsporingsambtenaar, en
2°. de toets aanhoudings- en zelfverdedigingsvaardigheden buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. Een buitengewoon opsporingsambtenaar is steeds voor de duur van een kalenderhalfjaar geoefend in het gebruik van een vuurwapen, indien hij, naast de in het eerste lid bedoelde toetsen, in het daaraan voorafgaande kalenderhalfjaar de toets schietvaardigheid buitengewoon opsporingsambtenaar met voldoende resultaat heeft afgelegd.
3. Onverminderd het eerste en tweede lid, wordt de buitengewoon opsporingsambtenaar van wie een geweldsmiddel op grond van het vierde lid is ingenomen, voor de resterende duur van het lopende kalenderjaar of kalenderhalfjaar, geacht wederom geoefend te zijn in het gebruik van dat geweldsmiddel, vanaf het moment dat hij de toetsen die hij niet of niet met voldoende resultaat had afgelegd, alsnog met voldoende resultaat heeft afgelegd.
4. Dit lid is nog niet in werking getreden.
5. De werkgever draagt er, in overeenstemming met de direct toezichthouder, zorg voor dat de buitengewoon opsporingsambtenaar slechts over een geweldsmiddel beschikt, anders dan voor het vervoer en het gebruik ervan voor het volgen van onderwijs, indien hij geoefend is in het gebruik van dat geweldsmiddel. Indien een buitengewoon opsporingsambtenaar op de laatste dag van een kalenderjaar of kalenderhalfjaar de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde toetsen nog niet of niet met voldoende resultaat heeft afgelegd, wordt het geweldsmiddel in het gebruik waarvan hij dientengevolge niet langer is geoefend, door de werkgever ingenomen.