BWBR0015852
Geldig vanaf 2004-01-01
Artikel 6
Regeling stimuleringssubsidie doorstroom zorg
1. De werkgever maakt bij de aanvraag gebruik van een formulier dat is ingericht overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Een zodanig formulier wordt door de minister desgevraagd aan de werkgever beschikbaar gesteld.
2. De aanvraag bevat in ieder geval:
a. een verklaring van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente die de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorafgaande dienstbetrekking of dienstbetrekkingen geheel of gedeeltelijk heeft bekostigd, inhoudende: 1°. de duur van de onmiddellijk voorafgaande aan de reguliere dienstbetrekking door de betrokken werknemer vervulde gesubsidieerde dienstbetrekking(en);
2°. de datum van beëindiging van de onder 1° bedoelde gesubsidieerde dienstbetrekking (en);
3°. indien sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 1°: het bedrag dat de gemeente voor die dienstbetrekking heeft betaald uit de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand alsmede het aantal uren per week waarin de betrokken werknemer werkzaam was in die dienstbetrekking;
1°. de duur van de onmiddellijk voorafgaande aan de reguliere dienstbetrekking door de betrokken werknemer vervulde gesubsidieerde dienstbetrekking(en);
2°. de datum van beëindiging van de onder 1° bedoelde gesubsidieerde dienstbetrekking (en);
3°. indien sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 1°: het bedrag dat de gemeente voor die dienstbetrekking heeft betaald uit de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand alsmede het aantal uren per week waarin de betrokken werknemer werkzaam was in die dienstbetrekking;
b. een verklaring van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de betrokken werknemer woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudende: 1°. dat aan of ten behoeve van de betrokken werknemer na de ingangsdatum van de dienstbetrekking geen (aanvullende) algemene bijstand wordt betaald;
2°. dat de betrokken werknemer geen gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand;
1°. dat aan of ten behoeve van de betrokken werknemer na de ingangsdatum van de dienstbetrekking geen (aanvullende) algemene bijstand wordt betaald;
2°. dat de betrokken werknemer geen gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand;
c. een verklaring van de betrokken werknemer dat de reguliere dienstbetrekking inderdaad is aangevangen op de ingangsdatum, genoemd in de arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit en, als bij het aangaan van de reguliere dienstbetrekking een proeftijd is bedongen, dat de dienstbetrekking na afloop van die proeftijd onder dezelfde voorwaarden is voortgezet.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een afschrift van de voor de reguliere dienstbetrekking gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst of het op de reguliere dienstbetrekking betrekking hebbende aanstellingsbesluit, in welke documenten in ieder geval zijn opgenomen de arbeidsduur per week, de ingangsdatum en onbepaalde duur van de dienstbetrekking, de naam van de werkgever alsmede de naam en geboortedatum van de werknemer.
4. Indien een werkgever voor de betrokken reguliere dienstbetrekking een subsidie bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangevraagd op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banenen die aanvraag is afgewezen, gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van het afwijzende besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5. Een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet vereist indien de betrokken werknemer gedurende de periode van 12 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de reguliere dienstbetrekking, uitsluitend werkzaam is geweest in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 2°.
6. De aanvrager verstrekt de minister op diens verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
2. De aanvraag bevat in ieder geval:
a. een verklaring van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente die de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorafgaande dienstbetrekking of dienstbetrekkingen geheel of gedeeltelijk heeft bekostigd, inhoudende: 1°. de duur van de onmiddellijk voorafgaande aan de reguliere dienstbetrekking door de betrokken werknemer vervulde gesubsidieerde dienstbetrekking(en);
2°. de datum van beëindiging van de onder 1° bedoelde gesubsidieerde dienstbetrekking (en);
3°. indien sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 1°: het bedrag dat de gemeente voor die dienstbetrekking heeft betaald uit de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand alsmede het aantal uren per week waarin de betrokken werknemer werkzaam was in die dienstbetrekking;
1°. de duur van de onmiddellijk voorafgaande aan de reguliere dienstbetrekking door de betrokken werknemer vervulde gesubsidieerde dienstbetrekking(en);
2°. de datum van beëindiging van de onder 1° bedoelde gesubsidieerde dienstbetrekking (en);
3°. indien sprake is van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 1°: het bedrag dat de gemeente voor die dienstbetrekking heeft betaald uit de uitkering, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand alsmede het aantal uren per week waarin de betrokken werknemer werkzaam was in die dienstbetrekking;
b. een verklaring van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de betrokken werknemer woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, inhoudende: 1°. dat aan of ten behoeve van de betrokken werknemer na de ingangsdatum van de dienstbetrekking geen (aanvullende) algemene bijstand wordt betaald;
2°. dat de betrokken werknemer geen gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand;
1°. dat aan of ten behoeve van de betrokken werknemer na de ingangsdatum van de dienstbetrekking geen (aanvullende) algemene bijstand wordt betaald;
2°. dat de betrokken werknemer geen gebruik maakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand;
c. een verklaring van de betrokken werknemer dat de reguliere dienstbetrekking inderdaad is aangevangen op de ingangsdatum, genoemd in de arbeidsovereenkomst of het aanstellingsbesluit en, als bij het aangaan van de reguliere dienstbetrekking een proeftijd is bedongen, dat de dienstbetrekking na afloop van die proeftijd onder dezelfde voorwaarden is voortgezet.
3. De aanvraag gaat vergezeld van een afschrift van de voor de reguliere dienstbetrekking gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst of het op de reguliere dienstbetrekking betrekking hebbende aanstellingsbesluit, in welke documenten in ieder geval zijn opgenomen de arbeidsduur per week, de ingangsdatum en onbepaalde duur van de dienstbetrekking, de naam van de werkgever alsmede de naam en geboortedatum van de werknemer.
4. Indien een werkgever voor de betrokken reguliere dienstbetrekking een subsidie bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aangevraagd op grond van de Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banenen die aanvraag is afgewezen, gaat de aanvraag vergezeld van een afschrift van het afwijzende besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
5. Een verklaring als bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet vereist indien de betrokken werknemer gedurende de periode van 12 maanden, onmiddellijk voorafgaand aan de reguliere dienstbetrekking, uitsluitend werkzaam is geweest in een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 1, onder c, onderdeel 2°.
6. De aanvrager verstrekt de minister op diens verzoek alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag.