BWBR0015719
Geldig vanaf 2003-10-18
Artikel 5
Regeling capaciteitsvermindering rondvisvisserij 2003
1. Een subsidie als bedoeld in artikel 2kan slechts worden verleend ter zake van de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten in de wateren van de Europese Unie van een vissersvaartuig:
a. ten aanzien waarvan op 1 januari 2003 een contingent als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Regeling contingentering zeevis is toegekend voor de vissoorten kabeljauw en wijting;
b. waarmee in het jaar 2002 ten minste 50.000 kilogram van de vissoorten kabeljauw, wijting of schelvis is aangeland;
c. ten aanzien waarvan de hoeveelheid kabeljauw, wijting en schelvis in de met het vissersvaartuig aangelande vangsten over het jaar 2002 meer dan 50% van het gewicht van de totale vangst in dat kalenderjaar bedraagt;
d. dat op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening meer dan tien jaar oud is;
e. dat in elk van de twee aan de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande perioden van twaalf maanden is gebruikt voor een visserijactiviteit van ten minste 80% van het in de betrokken periode voor het vissersvaartuig toegekende aantal zeedagen, dan wel geldend aantal kalenderdagen, op grond van: 1°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2001;
2°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2002;
3°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2002;
4°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2003;
5°. de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 13 van de Zeedagenregeling 2003;
1°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2001;
2°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2002;
3°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2002;
4°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2003;
5°. de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 13 van de Zeedagenregeling 2003;
f. ten aanzien waarvan op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 4, tweede en derde lid, van de Regeling visserijlicentie een visvergunning is toegekend;
g. ten aanzien waarvan op de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening een ingevolge de Regeling visserijlicentie geldige licentie aanwezig is, en
h. dat, in geval van definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening een tonnage heeft van 22BT of meer en nog geen 30 jaar oud is.
2. De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien:
a. voor de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig reeds uit andere hoofde een uit overheidsmiddelen bekostigde subsidie is of wordt verstrekt;
b. de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig in de wateren van de Europese Unie heeft plaatsgevonden alvorens de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd, of
c. de subsidieaanvraag niet is ingediend in de periode, bedoeld in artikel 4, eerste lid.
a. ten aanzien waarvan op 1 januari 2003 een contingent als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Regeling contingentering zeevis is toegekend voor de vissoorten kabeljauw en wijting;
b. waarmee in het jaar 2002 ten minste 50.000 kilogram van de vissoorten kabeljauw, wijting of schelvis is aangeland;
c. ten aanzien waarvan de hoeveelheid kabeljauw, wijting en schelvis in de met het vissersvaartuig aangelande vangsten over het jaar 2002 meer dan 50% van het gewicht van de totale vangst in dat kalenderjaar bedraagt;
d. dat op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening meer dan tien jaar oud is;
e. dat in elk van de twee aan de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening voorafgaande perioden van twaalf maanden is gebruikt voor een visserijactiviteit van ten minste 80% van het in de betrokken periode voor het vissersvaartuig toegekende aantal zeedagen, dan wel geldend aantal kalenderdagen, op grond van: 1°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2001;
2°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2002;
3°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2002;
4°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2003;
5°. de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 13 van de Zeedagenregeling 2003;
1°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2001;
2°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2002;
3°. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Zeedagenregeling 2002;
4°. artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Tijdelijke regeling zeedagen 2003;
5°. de artikelen 3, eerste lid, onderdeel a, en 13 van de Zeedagenregeling 2003;
f. ten aanzien waarvan op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 4, tweede en derde lid, van de Regeling visserijlicentie een visvergunning is toegekend;
g. ten aanzien waarvan op de datum van indiening van de aanvraag tot subsidieverlening een ingevolge de Regeling visserijlicentie geldige licentie aanwezig is, en
h. dat, in geval van definitieve beëindiging als bedoeld in artikel 3, onderdeel b, op de datum van de indiening van de aanvraag tot subsidieverlening een tonnage heeft van 22BT of meer en nog geen 30 jaar oud is.
2. De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien:
a. voor de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig reeds uit andere hoofde een uit overheidsmiddelen bekostigde subsidie is of wordt verstrekt;
b. de definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten met het vissersvaartuig in de wateren van de Europese Unie heeft plaatsgevonden alvorens de ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening schriftelijk aan de aanvrager is bevestigd, of
c. de subsidieaanvraag niet is ingediend in de periode, bedoeld in artikel 4, eerste lid.