BWBR0015136
Geldig vanaf 2003-05-27
Artikel 239
Rechtspositiebesluit WPO/WEC
1. Voorzitter, plaatsvervangend voorzitter, lid en plaatsvervangend lid van een commissie kan niet zijn hij die:
a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover de commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt;
b. in dienst is van een vereniging van onderwijzend personeel dan wel zitting heeft in een bestuur van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, waarvan het lidmaatschap open staat voor personeel van instellingen waarvoor de commissie waarvan hij deel uitmaakt, is ingesteld;
c. deel uitmaakt van de rijksinspectie.
2. Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.
a. zitting heeft in of in dienst is van het instellingsbestuur of het bestuur van een vereniging van instellingsbesturen, of deel uitmaakt van het personeel van een instelling waarover de commissie waarvan hij deel uitmaakt, haar werkkring uitstrekt;
b. in dienst is van een vereniging van onderwijzend personeel dan wel zitting heeft in een bestuur van een vereniging als bedoeld in artikel 64 van de Wet op het primair onderwijs of artikel 66 van de Wet op de expertisecentra, waarvan het lidmaatschap open staat voor personeel van instellingen waarvoor de commissie waarvan hij deel uitmaakt, is ingesteld;
c. deel uitmaakt van de rijksinspectie.
2. Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter kan slechts zijn hij die de hoedanigheid van meester in de rechten heeft verkregen op grond van een met goed gevolg afgelegd doctoraal examen in het Nederlands recht aan een Nederlandse universiteit of hogeschool.