BWBR0014795
Geldig vanaf 2003-03-15
Artikel 2.1
Regeling vaststelling controleprotocol Remigratiewet en Tijdelijk besluit tegemoetkoming verhuiskosten Antillianen en Arubanen
Met betrekking tot de basisvoorzieningen stelt de interne accountant vast dat:
de bedragen van de vergoedingen van de kosten van het vervoer van personen en bagage en de kosten van hervestiging in overeenstemming zijn met de door de minister vastgestelde normbedragen en ook voor het overige voldoen aan de vastgestelde eisen omtrent de bedragen van de vergoedingen;
de toegekende aanvragen voorzien zijn van de noodzakelijke bewijsstukken;
de remigrant niet eerder, noch als partner, noch als remigrant, basisvoorzieningen en voorzieningen heeft genoten, zoals bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet;
de remigrant die voor basisvoorzieningen in aanmerking wenst te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de basisvoorzieningen, in Nederland heeft verbleven, dan wel indien hij vreemdeling is, gedurende ten minste 1 jaar ononderbroken, rechtmatig verblijf in Nederland had als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
de remigrant een schriftelijk bewijs overlegt, afgegeven door de autoriteiten van het bestemmingsland, dat hij, zijn partner en hun kinderen zullen worden toegelaten, indien naar een ander land wordt geremigreerd dan het land waar de remigrant de nationaliteit van bezit;
de remigrant, en eventueel de partner, zijn schulden aan het Rijk heeft voldaan, dan wel een afbetalingregeling is getroffen;
de remigrant, en eventueel de partner, daadwerkelijk is vertrokken;
voor het overige wordt voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 2 t/m 4 en 7 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.
Ten aanzien van de remigratievoorzieningen stelt de interne accountantvast dat:
de remigrant, die niet tevens een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit, voor de vertrekdatum een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft afgelegd;
de remigrant tenminste 45 jaar is;
de remigrant die voor remigratievoorzieningen in aanmerking wenst te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen, in Nederland heeft verbleven, dan wel indien hij vreemdeling is, gedurende ten minste 3 jaren ononderbroken, rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het besluit tot toekenning van de remigratievoorzieningen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e dan wel l, van deze wet, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
de remigrant, en eventueel de partner, zijn schulden aan het Rijk heeft voldaan, dan wel een afbetalingsregeling heeft getroffen;
de remigrant voldoet aan de gestelde eisen in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet;
de toekenning gebaseerd is op de vereiste bewijsstukken;
de uitkeringen zijn uitbetaald in overeenstemming met het Besluit voorzieningen Remigratiewet;
voor het overige wordt voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 2, 3 en 7 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.
Inzake de beëindiging, schorsing en terugvordering stelt de interne accountant vast dat:
de remigratievoorzieningen van de remigrant eindigen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de remigrant zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt;
idem indien de partner van de remigrant voorzieningen genoot op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet;
indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen van de terugkeerregeling gebruik heeft gemaakt, de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, b, en d, van de wet, zijn teruggevorderd;
indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, de basisvoorzieningen, zover deze aan de teruggekeerde personen zijn toegekend, zijn teruggevorderd.
de bedragen van de vergoedingen van de kosten van het vervoer van personen en bagage en de kosten van hervestiging in overeenstemming zijn met de door de minister vastgestelde normbedragen en ook voor het overige voldoen aan de vastgestelde eisen omtrent de bedragen van de vergoedingen;
de toegekende aanvragen voorzien zijn van de noodzakelijke bewijsstukken;
de remigrant niet eerder, noch als partner, noch als remigrant, basisvoorzieningen en voorzieningen heeft genoten, zoals bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet;
de remigrant die voor basisvoorzieningen in aanmerking wenst te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de basisvoorzieningen, in Nederland heeft verbleven, dan wel indien hij vreemdeling is, gedurende ten minste 1 jaar ononderbroken, rechtmatig verblijf in Nederland had als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
de remigrant een schriftelijk bewijs overlegt, afgegeven door de autoriteiten van het bestemmingsland, dat hij, zijn partner en hun kinderen zullen worden toegelaten, indien naar een ander land wordt geremigreerd dan het land waar de remigrant de nationaliteit van bezit;
de remigrant, en eventueel de partner, zijn schulden aan het Rijk heeft voldaan, dan wel een afbetalingregeling is getroffen;
de remigrant, en eventueel de partner, daadwerkelijk is vertrokken;
voor het overige wordt voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 2 t/m 4 en 7 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.
Ten aanzien van de remigratievoorzieningen stelt de interne accountantvast dat:
de remigrant, die niet tevens een andere dan de Nederlandse nationaliteit bezit, voor de vertrekdatum een schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft afgelegd;
de remigrant tenminste 45 jaar is;
de remigrant die voor remigratievoorzieningen in aanmerking wenst te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen, in Nederland heeft verbleven, dan wel indien hij vreemdeling is, gedurende ten minste 3 jaren ononderbroken, rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000 en voor het besluit tot toekenning van de remigratievoorzieningen rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a, b, d, e dan wel l, van deze wet, anders dan voor een verblijf voor een tijdelijk doel;
de remigrant, en eventueel de partner, zijn schulden aan het Rijk heeft voldaan, dan wel een afbetalingsregeling heeft getroffen;
de remigrant voldoet aan de gestelde eisen in artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet;
de toekenning gebaseerd is op de vereiste bewijsstukken;
de uitkeringen zijn uitbetaald in overeenstemming met het Besluit voorzieningen Remigratiewet;
voor het overige wordt voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 2, 3 en 7 van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.
Inzake de beëindiging, schorsing en terugvordering stelt de interne accountant vast dat:
de remigratievoorzieningen van de remigrant eindigen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de remigrant zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt;
idem indien de partner van de remigrant voorzieningen genoot op grond van artikel 5, eerste en tweede lid, van de wet;
indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen van de terugkeerregeling gebruik heeft gemaakt, de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a, b, en d, van de wet, zijn teruggevorderd;
indien de remigrant, zijn partner of een van hun kinderen binnen drie jaren na remigratie, anders dan op grond van de terugkeerregeling zijn hoofdverblijf wederom in Nederland vestigt, de basisvoorzieningen, zover deze aan de teruggekeerde personen zijn toegekend, zijn teruggevorderd.