BWBR0014787
Geldig vanaf 2003-04-01
Artikel 7
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit secretaris-generaal SZW 2003
1. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is tevens bekleed met de functies van:
a. directeur-generaal van de arbeid;
b. Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen;
c. Hoofdingenieur-Districtshoofd van de Dienst voor het Stoomwezen;
d. districtshoofd van de Inspectie van de havenarbeid. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie draagt er uit hoofde van deze functies zorg voor dat de taken die bij en krachtens de wet aan deze functionarissen zijn opgedragen binnen de Arbeidsinspectie worden uitgevoerd, een en ander voor zover deze passen binnen het kader van de taken, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid. Hij oefent uit hoofde van die functies de bevoegdheden uit die bij en krachtens de wet aan de daar genoemde functionarissen zijn verleend, een en ander voor zover deze passen binnen het kader van de taken, bedoeld in artikel 6.
2. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie geeft op verzoek van een der kamers van de Staten-Generaal of van een commissie uit een van die kamers een toelichting op het jaarverslag voor zover dat betrekking heeft op inspectietaken of een andere inspectierapportage van de Arbeidsinspectie nadat het desbetreffende stuk aan de kamers ter kennis is gebracht. De algemeen directeur beperkt zich daarbij tot het geven van inlichtingen van feitelijke aard. De algemeen directeur stelt de minister terstond in kennis van een verzoek als hier bedoeld.
3. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om jaarlijks een plan van werkzaamheden (jaarplan) met betrekking tot de inspectietaken, inspectierapportages, jaarverslagen, alsmede eens per vier jaar een meerjarig inspectieplan, via de secretaris-generaal voor te leggen aan de minister.
4. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om het in het vorige lid bedoelde jaarplan en het meerjarig inspectieplan vast te stellen nadat de inhoud daarvan met de secretaris-generaal is besproken en nadat daarover met de minister is overlegd.
5. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om zelfstandig de verspreiding van het eigen jaarverslag, voor zover dat betrekking heeft op inspectietaken, te verzorgen, alsmede om voorlichting ten aanzien van de daarin opgenomen bevindingen te geven, nadat de minister het betreffende jaarverslag bekend heeft gemaakt.
6. De algemeen directeur is tevens bevoegd om zelfstandig de verspreiding van overige inspectierapportages te verzorgen en om voorlichting te geven ten aanzien van de daarin opgenomen bevindingen, nadat de minister van deze inspectierapportages kennis heeft kunnen nemen.
a. directeur-generaal van de arbeid;
b. Hoofdingenieur-Directeur van de Dienst voor het Stoomwezen;
c. Hoofdingenieur-Districtshoofd van de Dienst voor het Stoomwezen;
d. districtshoofd van de Inspectie van de havenarbeid. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie draagt er uit hoofde van deze functies zorg voor dat de taken die bij en krachtens de wet aan deze functionarissen zijn opgedragen binnen de Arbeidsinspectie worden uitgevoerd, een en ander voor zover deze passen binnen het kader van de taken, bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid. Hij oefent uit hoofde van die functies de bevoegdheden uit die bij en krachtens de wet aan de daar genoemde functionarissen zijn verleend, een en ander voor zover deze passen binnen het kader van de taken, bedoeld in artikel 6.
2. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie geeft op verzoek van een der kamers van de Staten-Generaal of van een commissie uit een van die kamers een toelichting op het jaarverslag voor zover dat betrekking heeft op inspectietaken of een andere inspectierapportage van de Arbeidsinspectie nadat het desbetreffende stuk aan de kamers ter kennis is gebracht. De algemeen directeur beperkt zich daarbij tot het geven van inlichtingen van feitelijke aard. De algemeen directeur stelt de minister terstond in kennis van een verzoek als hier bedoeld.
3. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om jaarlijks een plan van werkzaamheden (jaarplan) met betrekking tot de inspectietaken, inspectierapportages, jaarverslagen, alsmede eens per vier jaar een meerjarig inspectieplan, via de secretaris-generaal voor te leggen aan de minister.
4. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om het in het vorige lid bedoelde jaarplan en het meerjarig inspectieplan vast te stellen nadat de inhoud daarvan met de secretaris-generaal is besproken en nadat daarover met de minister is overlegd.
5. De algemeen directeur van de Arbeidsinspectie is bevoegd om zelfstandig de verspreiding van het eigen jaarverslag, voor zover dat betrekking heeft op inspectietaken, te verzorgen, alsmede om voorlichting ten aanzien van de daarin opgenomen bevindingen te geven, nadat de minister het betreffende jaarverslag bekend heeft gemaakt.
6. De algemeen directeur is tevens bevoegd om zelfstandig de verspreiding van overige inspectierapportages te verzorgen en om voorlichting te geven ten aanzien van de daarin opgenomen bevindingen, nadat de minister van deze inspectierapportages kennis heeft kunnen nemen.