BWBR0014541
Geldig vanaf 2003-01-01
Artikel 3
Tijdelijke Regeling zeedagen 2003
1. In de periode van 1 tot en met 31 januari 2003 gelden voor een vissersvaartuig 17 zeedagen.
2. Indien voor een vissersvaartuig op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis een contingent makreel is toegekend gelden voor dat vissersvaartuig in het tijdvak van 1 januari tot en met 17 maart 2003: 55 zeedagen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid stelt de minister voor vaartuigen waarvoor in de periode onderscheidenlijk het tijdvak, bedoeld in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, voor het eerst:
a. een licentie als bedoeld in de Regeling visserijlicentie wordt toegekend, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de licentie is toegekend;
b. contingenten kabeljauw en wijting als bedoeld in de Regeling contingentering zeevis zijn uitgereikt, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de contingenten kabeljauw en wijting zijn uitgereikt.
2. Indien voor een vissersvaartuig op grond van artikel 10 van de Regeling contingentering zeevis een contingent makreel is toegekend gelden voor dat vissersvaartuig in het tijdvak van 1 januari tot en met 17 maart 2003: 55 zeedagen.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid stelt de minister voor vaartuigen waarvoor in de periode onderscheidenlijk het tijdvak, bedoeld in het eerste lid onderscheidenlijk het tweede lid, voor het eerst:
a. een licentie als bedoeld in de Regeling visserijlicentie wordt toegekend, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de licentie is toegekend;
b. contingenten kabeljauw en wijting als bedoeld in de Regeling contingentering zeevis zijn uitgereikt, een aantal zeedagen vast naar evenredigheid van het tijdstip waarop de contingenten kabeljauw en wijting zijn uitgereikt.