BWBR0014483
Geldig vanaf 2017-02-23
Artikel 27
Besluit fiscale eenheid 2003
1. Bij de ontvoeging van een dochtermaatschappij wordt de herbeleggingsreserve als bedoeld in artikel 4 van het Besluit beleggingsinstellingenvan die dochtermaatschappij gesteld op de herbeleggingsreserve die bij de dochtermaatschappij reeds aanwezig was op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan haar voegingstijdstip, verminderd met:
a. indien de ontvoeging plaatsvindt met ingang van een boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen wordt overgebracht naar dat boekjaar; of
b. indien de ontvoeging plaatsvindt in de loop van een boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen naar dat boekjaar is overgebracht; voorzover dit verlies niet groter is dan die herbeleggingsreserve.
2. Het bedrag van het verlies dat ingevolge het eerste lid in mindering komt op de herbeleggingsreserve van de dochtermaatschappij, wordt niet meer in aanmerking genomen bij de overblijvende fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.
3. Het verlies van een dochtermaatschappij dat betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het voegingstijdstip en dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingenis vastgesteld om over te brengen naar het volgende jaar, wordt overgebracht naar het eerste jaar na het ontvoegingstijdstip van die dochtermaatschappij.
4. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij wordt de afrondingsreserve als bedoeld in artikel 5 van het Besluit beleggingsinstellingen, aangemerkt als afrondingsreserve van de overblijvende fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.
a. indien de ontvoeging plaatsvindt met ingang van een boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen wordt overgebracht naar dat boekjaar; of
b. indien de ontvoeging plaatsvindt in de loop van een boekjaar, het verlies van de fiscale eenheid dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingen naar dat boekjaar is overgebracht; voorzover dit verlies niet groter is dan die herbeleggingsreserve.
2. Het bedrag van het verlies dat ingevolge het eerste lid in mindering komt op de herbeleggingsreserve van de dochtermaatschappij, wordt niet meer in aanmerking genomen bij de overblijvende fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.
3. Het verlies van een dochtermaatschappij dat betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het voegingstijdstip en dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van het Besluit beleggingsinstellingenis vastgesteld om over te brengen naar het volgende jaar, wordt overgebracht naar het eerste jaar na het ontvoegingstijdstip van die dochtermaatschappij.
4. Vanaf het ontvoegingstijdstip van een dochtermaatschappij wordt de afrondingsreserve als bedoeld in artikel 5 van het Besluit beleggingsinstellingen, aangemerkt als afrondingsreserve van de overblijvende fiscale eenheid, onderscheidenlijk de moedermaatschappij.