BWBR0014441
Geldig vanaf 2003-01-01
Artikel V
Wijzigingswet Wet op de vennootschapsbelasting 1969 c.a. (herziening regime fiscale eenheid)
1. Indien belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop deze wet op hen van toepassing wordt, een eenheid vormen in de zin van artikel 15, derde lidof artikel 30, tweede lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, op het tijdstip waarop deze wet op hen van toepassing wordt, niet voldoen aan de bij of krachtens artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969gestelde vereisten voor de totstandkoming van een fiscale eenheid in de zin van het eerste lid van dat artikel, eindigt die fiscale eenheid met ingang van het laatstgenoemde tijdstip. Op verzoek van de belastingplichtigen vinden in dat geval, in plaats van de bepalingen die ten aanzien van die eenheid met betrekking tot de beëindiging van die eenheid golden, de regels toepassing die van het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij of krachtens artikel 15, 15af, 15ag, 15aien 15aj van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969zijn gesteld met betrekking tot een beëindiging van een fiscale eenheid.
2. Het verzoek wordt gedaan door de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk de naamloze vennootschap die aandelen bezit in een andere vennootschap, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van die wet, zoals deze artikelen luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelijktijdig met de aangifte over het laatste boekjaar voor het tijdstip waarop deze wet op haar van toepassing wordt. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van belastingplichtigen als bedoeld in artikel 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
2. Het verzoek wordt gedaan door de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, onderscheidenlijk de naamloze vennootschap die aandelen bezit in een andere vennootschap, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van die wet, zoals deze artikelen luidden op het tijdstip onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelijktijdig met de aangifte over het laatste boekjaar voor het tijdstip waarop deze wet op haar van toepassing wordt. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van belastingplichtigen als bedoeld in artikel 15a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.