BWBR0014346
Geldig vanaf 01-01-2005
Artikel 4
Regeling voorschotverlening op uitkeringen Zfw en AWBZ
1. De betaling van de bestanddelen van het voorschot, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a en c en artikel 3, vijfde lid, geschiedt in twaalf maandelijkse termijnen en vangt aan in februari van het jaar t met als betaaldag de eerste werkdag van de maand.
2. De betaling van de bestanddelen van het voorschot, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, geschiedt in twaalf maandelijkse termijnen en vangt aan in maart van het jaar t met als betaaldag de eerste werkdag van de maand.
3. Het bedrag voor nominale premie en opbrengst verhaal, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder d, wordt in twaalf maandelijkse termijnen in mindering gebracht, te beginnen met de maand januari van het jaar t op het bestanddeel van het voorschot op de uitkering over het voorafgaande kalenderjaar dat in die maand wordt betaald, voor februari op het bestanddeel, bedoeld in het eerste lid, en voor de resterende maanden op de som van de bestanddelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De betaling van het voorschot, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, geschiedt in één termijn, met als betaaldag de eerste werkdag van de maand juli van het jaar t.
5. De betaling van het bedrag per ziekenfonds, bedoeld in artikel 3, vierde lid geschiedt in één termijn met als betaaldatum de eerste werkdag van april van het jaar t + 1.
6. Voor een nieuw uitvoeringsorgaan, dat geen rechtsopvolger is van een uitvoeringsorgaan, kan van het eerste, tweede en vierde lid worden afgeweken. In geval een termijnbedrag voor nominale premie en verhaal, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder d, wegens ontbreken van voorschotten niet in mindering kan worden gebracht, wordt het mee in mindering gebracht op een eerstvolgend voorschot.
2. De betaling van de bestanddelen van het voorschot, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder b, geschiedt in twaalf maandelijkse termijnen en vangt aan in maart van het jaar t met als betaaldag de eerste werkdag van de maand.
3. Het bedrag voor nominale premie en opbrengst verhaal, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder d, wordt in twaalf maandelijkse termijnen in mindering gebracht, te beginnen met de maand januari van het jaar t op het bestanddeel van het voorschot op de uitkering over het voorafgaande kalenderjaar dat in die maand wordt betaald, voor februari op het bestanddeel, bedoeld in het eerste lid, en voor de resterende maanden op de som van de bestanddelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.
4. De betaling van het voorschot, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder e, geschiedt in één termijn, met als betaaldag de eerste werkdag van de maand juli van het jaar t.
5. De betaling van het bedrag per ziekenfonds, bedoeld in artikel 3, vierde lid geschiedt in één termijn met als betaaldatum de eerste werkdag van april van het jaar t + 1.
6. Voor een nieuw uitvoeringsorgaan, dat geen rechtsopvolger is van een uitvoeringsorgaan, kan van het eerste, tweede en vierde lid worden afgeweken. In geval een termijnbedrag voor nominale premie en verhaal, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder d, wegens ontbreken van voorschotten niet in mindering kan worden gebracht, wordt het mee in mindering gebracht op een eerstvolgend voorschot.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014346
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl