BWBR0014165
Geldig vanaf 01-01-2010
Artikel 8
Verordening op de periodieke preventieve toetsing
1. Het bestuur maakt de datum waarop de toetsing zal plaatsvinden, ten minste zes weken van tevoren bekend aan een accountantspraktijk.
2. Indien een accountantspraktijk aannemelijk maakt dat een toetsing op de datum welke op grond van het eerste lid bekend is gemaakt, niet mogelijk is, kan het bestuur een andere datum bekend maken waarop de toetsing zal plaatsvinden.
3. Indien het tweede lid toepassing vindt, kan het bestuur in overleg met een accountantspraktijk afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn van zes weken.
4. Het bestuur doet mededeling van de samenstelling van het toetsingsteam, alsmede van de termijn waarbinnen een verzoek als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel kan worden ingediend.
5. De accountantspraktijk kan binnen een door het bestuur te stellen termijn aan het bestuur verzoeken elk van de toetsers die de toetsing uitvoert te wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de toetser zou kunnen worden aangetast.
6. Indien het bestuur van oordeel is dat er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de objectiviteit van de toetser aangetast zou kunnen worden of de schijn wordt gewekt dat de objectiviteit van de toetsers aangetast zou kunnen worden, wijzigt hij de samenstelling van het toetsingsteam.
2. Indien een accountantspraktijk aannemelijk maakt dat een toetsing op de datum welke op grond van het eerste lid bekend is gemaakt, niet mogelijk is, kan het bestuur een andere datum bekend maken waarop de toetsing zal plaatsvinden.
3. Indien het tweede lid toepassing vindt, kan het bestuur in overleg met een accountantspraktijk afwijken van de in het eerste lid genoemde termijn van zes weken.
4. Het bestuur doet mededeling van de samenstelling van het toetsingsteam, alsmede van de termijn waarbinnen een verzoek als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel kan worden ingediend.
5. De accountantspraktijk kan binnen een door het bestuur te stellen termijn aan het bestuur verzoeken elk van de toetsers die de toetsing uitvoert te wraken op grond van feiten of omstandigheden waardoor de onpartijdigheid van de toetser zou kunnen worden aangetast.
6. Indien het bestuur van oordeel is dat er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de objectiviteit van de toetser aangetast zou kunnen worden of de schijn wordt gewekt dat de objectiviteit van de toetsers aangetast zou kunnen worden, wijzigt hij de samenstelling van het toetsingsteam.
- Citeren als
- Art. 8
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0014165
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl