BWBR0014035
Geldig vanaf 2002-10-14
Artikel 7
Regeling locatiespecifieke omstandigheden
1. In gevallen als bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit, houden de saneringsmaatregelen het volgende in:
a. het afgraven van verontreinigde bodem onder oppervlaktewater als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a en b van het Besluit
b. het verwijderen van verontreiniging uit de bodem
c. het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag
d. het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen
e. andere maatregelen die tot gevolg hebben dat de blootstelling aan en verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.
2. Bij de keuze voor de te nemen saneringsmaatregelen wordt rekening gehouden met de gevolgen van die maatregelen op het watersysteem en de effecten die de dynamiek van het watersysteem kan hebben op het resultaat van de sanering.
a. het afgraven van verontreinigde bodem onder oppervlaktewater als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a en b van het Besluit
b. het verwijderen van verontreiniging uit de bodem
c. het aanbrengen van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag
d. het realiseren van een fysieke isolatie van de verontreiniging teneinde verspreiding te voorkomen
e. andere maatregelen die tot gevolg hebben dat de blootstelling aan en verspreiding van verontreinigende stoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.
2. Bij de keuze voor de te nemen saneringsmaatregelen wordt rekening gehouden met de gevolgen van die maatregelen op het watersysteem en de effecten die de dynamiek van het watersysteem kan hebben op het resultaat van de sanering.