1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens de in
artikel 1a van de Wet op de economische delicten(WED) genoemde wetten, alsmede de
artikelen 26,
33en
34 van de WED; de
Wet op de Ruimtelijke Ordening; de
Woningwet; de artikelen 173, 173a, 173b, 174, 175, 179, 180, 181, 182, 184, 185, 198, 199, 225, 435, onder ten vierde, en 461 van het
Wetboek van Strafrecht;
Verordeningen en/of Keuren voor zover betrokkene daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan is aangewezen.
Andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Utrecht.