BWBR0013685
Geldig vanaf 28-07-2026
Artikel 4
Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over waterstaatswerken of wegen in beheer bij het Rijk
1. Langs kanalen, rivieren en havens wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand tot de rand van de vaarweg van ten minste de helft van de rotordiameter van de betreffende windturbine vermeerderd met 35 meter.
2. Plaatsing dichterbij dan de in het eerste lid genoemde afstand wordt slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek, uitgevoerd door de aanvrager van de omgevingsvergunning, blijkt dat er geen radarecho’s op de vaarweg optreden op scheeps- en walradar.
3. Voor toepassing van het tweede lid gelden de volgende beperkingen:
a. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 1.200 meter van: 1°. de mond van de voorhaven van een sluis;
2°. de invaart van een stuw; of
3°. een brug;
1°. de mond van de voorhaven van een sluis;
2°. de invaart van een stuw; of
3°. een brug;
b. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 600 meter van een kruising of invaart van een haven;
c. plaatsing wordt niet toegestaan in de voorhaven van een sluis;
d. de minimale afstand tot de rand van de vaarweg bedraagt ten minste de helft van de rotordiameter van de betreffende windturbine.
4. Plaatsing mag geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkeringstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd.
2. Plaatsing dichterbij dan de in het eerste lid genoemde afstand wordt slechts toegestaan indien uit aanvullend onderzoek, uitgevoerd door de aanvrager van de omgevingsvergunning, blijkt dat er geen radarecho’s op de vaarweg optreden op scheeps- en walradar.
3. Voor toepassing van het tweede lid gelden de volgende beperkingen:
a. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 1.200 meter van: 1°. de mond van de voorhaven van een sluis;
2°. de invaart van een stuw; of
3°. een brug;
1°. de mond van de voorhaven van een sluis;
2°. de invaart van een stuw; of
3°. een brug;
b. plaatsing wordt niet toegestaan binnen 600 meter van een kruising of invaart van een haven;
c. plaatsing wordt niet toegestaan in de voorhaven van een sluis;
d. de minimale afstand tot de rand van de vaarweg bedraagt ten minste de helft van de rotordiameter van de betreffende windturbine.
4. Plaatsing mag geen visuele hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer en bedienend personeel van kunstwerken. Het zicht op vaarwegmarkeringstekens mag niet door plaatsing van windturbines worden afgeschermd.
- Citeren als
- Art. 4
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0013685
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl