BWBR0013678
Geldig vanaf 2002-06-29
Artikel II
Wijzigingsbesluit Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (vernieuwing personeelsbeleid)
1. Degenen die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit reeds zijn aangesteld als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ)zoals dat voor de inwerkingtreding van dit besluit luidde, zijn ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ.
2. Al naar gelang degene, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in vaste dienst of in tijdelijke dienst, wijzigt de aanstelling in een aanstelling als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ, in vaste dienst, respectievelijk in tijdelijke dienst met handhaving van de oorspronkelijke duur en grond van de aanstelling en met inachtneming van het derde lid.
3. De aanstellingsgrond van degenen, bedoeld in het eerste lid, die zijn aangesteld als tijdelijk ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c, van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt gewijzigd in de aanstellingsgrond, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder f, van het RDBZ. De aanstelling wordt voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
4. Voor degenen op wie artikel 6, zesde en zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR)niet van overeenkomstige toepassing was op de dag van inwerkingtreding van dit besluit, is artikel 19, zesde en zevende lid, van het RDBZvan toepassing zodra een nieuwe aanstelling wordt verleend.
5. Plaatsingen, terbeschikkinghoudingen en toevoegingen als bedoeld in de artikelen 30, eerste en vierde lid, 32, eerste lid, respectievelijk 113 van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
6. Degene aan wie op grond van artikel 54, eerste of vierde lid, van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, verlof werd verleend, wordt beschouwd verlof te zijn verleend op grond van het overeenkomstige artikel van hoofdstuk IX, paragraaf 2.
7. Degene die vóór de inwerkingtreding van dit besluit is geschorst op grond van de artikelen 91, onder b, 92of 93 van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, alsmede degene die is geschorst op grond van de in artikel 110 van het RDBZvan overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 81, eerste lid, onder k, 90of 91 van het ARAR, wordt beschouwd als te zijn geschorst op grond van artikel 87, eerste lid, onder k, 92respectievelijk 93.
8. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit of een handeling genomen onderscheidenlijk verricht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het RDBZvan toepassing zoals dat voordien luidde.
2. Al naar gelang degene, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in vaste dienst of in tijdelijke dienst, wijzigt de aanstelling in een aanstelling als ambtenaar van de Dienst Buitenlandse Zaken, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, van het RDBZ, in vaste dienst, respectievelijk in tijdelijke dienst met handhaving van de oorspronkelijke duur en grond van de aanstelling en met inachtneming van het derde lid.
3. De aanstellingsgrond van degenen, bedoeld in het eerste lid, die zijn aangesteld als tijdelijk ambtenaar van de DBZ, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onder c, van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, wordt gewijzigd in de aanstellingsgrond, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder f, van het RDBZ. De aanstelling wordt voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
4. Voor degenen op wie artikel 6, zesde en zevende lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR)niet van overeenkomstige toepassing was op de dag van inwerkingtreding van dit besluit, is artikel 19, zesde en zevende lid, van het RDBZvan toepassing zodra een nieuwe aanstelling wordt verleend.
5. Plaatsingen, terbeschikkinghoudingen en toevoegingen als bedoeld in de artikelen 30, eerste en vierde lid, 32, eerste lid, respectievelijk 113 van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, worden voortgezet voor de oorspronkelijke duur en onder de overige oorspronkelijke voorwaarden.
6. Degene aan wie op grond van artikel 54, eerste of vierde lid, van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, verlof werd verleend, wordt beschouwd verlof te zijn verleend op grond van het overeenkomstige artikel van hoofdstuk IX, paragraaf 2.
7. Degene die vóór de inwerkingtreding van dit besluit is geschorst op grond van de artikelen 91, onder b, 92of 93 van het RDBZzoals dat luidde voor de inwerkingtreding van dit besluit, alsmede degene die is geschorst op grond van de in artikel 110 van het RDBZvan overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 81, eerste lid, onder k, 90of 91 van het ARAR, wordt beschouwd als te zijn geschorst op grond van artikel 87, eerste lid, onder k, 92respectievelijk 93.
8. Op bezwaar- en beroepschriften tegen een besluit of een handeling genomen onderscheidenlijk verricht vóór de inwerkingtreding van dit besluit, is het RDBZvan toepassing zoals dat voordien luidde.