BWBR0013591
Geldig vanaf 2002-04-11
Artikel 3
Regeling aanvullende personele bekostiging culturele minderheidsgroepen en anderstalige leerlingen WVO 2002
1. De leerlingen uit minderheidsgroepen ten behoeve van wie de school een aanvullende bekostiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid, kan worden toegekend, zijn:
a. leerlingen van wie beide ouders of voogden afkomstig zijn uit Griekenland, Italië, Kroatië, Slovenië, Bosnië-Herzegovina, Servië-Montenegro (= oud Joegoslavië), Macedonië, Kaap Verdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije dan wel van wie beide ouders of voogden de desbetreffende nationaliteit bezitten:
b. leerlingen die behoren tot de Molukse bevolkingsgroep;
c. leerlingen die behoren tot de Surinaamse, Antilliaanse of Arubaanse bevolkingsgroep en die nog geen vier jaar in Nederland zijn;
d. leerlingen die behoren tot de groep van zigeuners of woonwagenbewoners;
e. anderstalige leerlingen afkomstig uit een land buiten Europa, die blijkens de verblijfsduur in Nederland het basisonderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs, niet geheel in Nederland hebben kunnen volgen;
f. leerlingen afkomstig uit Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië, Wit-Rusland, Rusland, Oekraïne, Moldavië, Letland, Estland, Litouwen, Bulgarije of Albanië, indien deze leerlingen nog geen twee jaar in Nederland zijn.
2. Het bevoegd gezag van een school heeft geen aanspraak op een bekostiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, ten aanzien van leerlingen uit minderheidsgroepen die een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus voor het Internationaal Baccalaureaat volgen, of een andere daarmee vergelijkbare vorm van onderwijs.
a. leerlingen van wie beide ouders of voogden afkomstig zijn uit Griekenland, Italië, Kroatië, Slovenië, Bosnië-Herzegovina, Servië-Montenegro (= oud Joegoslavië), Macedonië, Kaap Verdië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië of Turkije dan wel van wie beide ouders of voogden de desbetreffende nationaliteit bezitten:
b. leerlingen die behoren tot de Molukse bevolkingsgroep;
c. leerlingen die behoren tot de Surinaamse, Antilliaanse of Arubaanse bevolkingsgroep en die nog geen vier jaar in Nederland zijn;
d. leerlingen die behoren tot de groep van zigeuners of woonwagenbewoners;
e. anderstalige leerlingen afkomstig uit een land buiten Europa, die blijkens de verblijfsduur in Nederland het basisonderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het primair onderwijs, niet geheel in Nederland hebben kunnen volgen;
f. leerlingen afkomstig uit Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië, Wit-Rusland, Rusland, Oekraïne, Moldavië, Letland, Estland, Litouwen, Bulgarije of Albanië, indien deze leerlingen nog geen twee jaar in Nederland zijn.
2. Het bevoegd gezag van een school heeft geen aanspraak op een bekostiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid, ten aanzien van leerlingen uit minderheidsgroepen die een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus voor het Internationaal Baccalaureaat volgen, of een andere daarmee vergelijkbare vorm van onderwijs.