BWBR0013399
Geldig vanaf 2002-04-01
Artikel 36
Reconstructiewet concentratiegebieden
1. Met ingang van het tijdstip waarop het ontwerp van het reconstructieplan ter inzage is gelegd tot het tijdstip waarop het reconstructieplan voor de betrokken onroerende zaken is verwezenlijkt, is het behoudens ontheffing verboden handelingen te verrichten die de verwezenlijking van het reconstructieplan ernstig belemmeren. De ontheffing wordt verleend door gedeputeerde staten van de provincie waar de betrokken onroerende zaken geheel of grotendeels zijn gelegen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging of uitwerking van het reconstructieplan.
3. Na bekendmaking van het reconstructieplan, of de wijziging of uitwerking daarvan, is het behoudens ontheffing eigenaren en gebruiksgerechtigden van tot een blok behorende onroerende zaken verboden handelingen te verrichten, of handelingen die door een normale bedrijfsvoering worden geëist achterwege te laten, indien daardoor de waarde van hun onroerende zaken zou veranderen. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing.
4. Indien de verandering van de waarde, bedoeld in het derde lid, een waardevermeerdering betreft, behoeft deze niet te worden vergoed, tenzij deze vermeerdering het gevolg is van handelingen waarvoor ontheffing is verleend.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden niet verstaan onder handelingen: besluiten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, of feitelijke handelingen ter uitvoering daarvan.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging of uitwerking van het reconstructieplan.
3. Na bekendmaking van het reconstructieplan, of de wijziging of uitwerking daarvan, is het behoudens ontheffing eigenaren en gebruiksgerechtigden van tot een blok behorende onroerende zaken verboden handelingen te verrichten, of handelingen die door een normale bedrijfsvoering worden geëist achterwege te laten, indien daardoor de waarde van hun onroerende zaken zou veranderen. De tweede volzin van het eerste lid is van toepassing.
4. Indien de verandering van de waarde, bedoeld in het derde lid, een waardevermeerdering betreft, behoeft deze niet te worden vergoed, tenzij deze vermeerdering het gevolg is van handelingen waarvoor ontheffing is verleend.
5. Voor de toepassing van dit artikel worden niet verstaan onder handelingen: besluiten als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/1:3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht</a>, of feitelijke handelingen ter uitvoering daarvan.