BWBR0013061
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 127
Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
1. Onze Minister is bevoegd in plaats van de tijdstippen, genoemd in <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 8 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>, andere tijdstippen vast te stellen alsmede te bepalen dat anderszins wordt afgeweken van de bij of krachtens dat hoofdstuk gegeven regels dan wel dat de toepassing daarvan achterwege blijft, voorzover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>noodzakelijk is.
2. Onze Minister is bevoegd, voorzover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>noodzakelijk is, regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid van de Raad voor werk en inkomen, de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven en de daaraan ten grondslag te leggen budgetten, begrotingen en jaarplannen.
3. Onze Minister is overigens bevoegd met het oog op een goede invoering van de <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>regels te stellen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij en krachtens genoemde wet en deze wet.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat kosten in verband met de intrekking van de <a href="/wet/BWBR0008367" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Arbeidsvoorzieningswet 1996</a>ten laste van het Rijk worden vergoed.
2. Onze Minister is bevoegd, voorzover dat in verband met de datum van inwerkingtreding van de <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>noodzakelijk is, regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid van de Raad voor werk en inkomen, de Centrale organisatie werk en inkomen, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en de Sociale verzekeringsbank tot het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven en de daaraan ten grondslag te leggen budgetten, begrotingen en jaarplannen.
3. Onze Minister is overigens bevoegd met het oog op een goede invoering van de <a href="/wet/BWBR0013060" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen</a>regels te stellen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van het bepaalde bij en krachtens genoemde wet en deze wet.
4. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat kosten in verband met de intrekking van de <a href="/wet/BWBR0008367" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Arbeidsvoorzieningswet 1996</a>ten laste van het Rijk worden vergoed.