1. Er is een ontslagcommissie, die tot taak heeft voornemens van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie tot opzegging van de arbeidsovereenkomsten, bedoeld in de artikelen 28en 41, te toetsen, alvorens toestemming voor de voorgenomen opzegging te verlenen.
2. Bij de toetsing ingevolge het eerste lid neemt de ontslagcommissie de door Onze Minister krachtens
artikel 6, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945gestelde regels in acht.
3. De ontslagcommissie bestaat uit drie leden, die door Onze Minister worden benoemd. Eén lid wordt benoemd op voordracht van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, één lid op voordracht van de organisaties die representatief zijn voor de bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie werkzame werknemers en één lid, tevens voorzitter, op gezamenlijke voordracht van genoemde organisaties.
4. Onze Minister benoemt voor ieder van de leden een plaatsvervanger. De tweede volzin van het derde lid is daarbij van overeenkomstige toepassing.
5. De benoeming van de leden en plaatsvervangende leden geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaren. De aftredende leden en plaatsvervangende leden zijn terstond herbenoembaar.
6. Aan een lid of plaatsvervangend lid wordt door Onze Minister tussentijds ontslag verleend:
a. bij verlies van de hoedanigheid of beëindiging van de functie in verband waarmee de benoeming heeft plaatsgevonden;
b. op eigen verzoek.
7. De ontslagcommissie regelt, met inachtneming van de regels bedoeld in het tweede lid, zelf haar werkwijze.
8. De Arbeidsvoorzieningsorganisatie regelt de schadeloosstelling van de voorzitter alsmede de vergoeding voor reis- en verblijfkosten van de leden en plaatsvervangende leden. Zij voorziet tevens in het secretariaat van de ontslagcommissie.