BWBR0012978
Geldig vanaf 2002-01-01
Artikel 5
Regeling aanwijzing bromfietsen of motorfietsen ten behoeve van vrijstelling van de helmdraagplicht
1. De ruiten in de veiligheidscel voldoet aan paragraaf 1.1 of 1.2 van hoofdstuk 12 van bijlage I van richtlijn 97/24/EG.
2. De buitenranden van de veiligheidscel voldoen, ter voorkoming van beknelling van het hoofd of ledematen, aan hoofdstuk 3 van bijlage II van richtlijn 97/24/EG, tenzij stootkussens in mogelijke risicogebieden voor het hoofd en ledematen zijn aangebracht.
3. De gordelbevestigingspunten en het gordelsysteem voldoen aan hoofdstuk 11 van richtlijn 97/24/EG.
4. Indien het gordelsysteem, bedoeld in het derde lid, met de hand wordt bediend, is in het directe zichtveld van de bestuurder een waarschuwingssignaal van een passende lichtsterkte aangebracht, dat brandt indien bij een in bedrijf zijnde motor het gordelsysteem niet of niet volledig is aangelegd.
5. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, voldoet aan afbeelding 9 van bijlage III van richtlijn nr. 78/316/EEGvan de Raad van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG L 81).
6. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, behoeft niet aanwezig te zijn indien het voertuig zodanig ontworpen is dat de motor het voertuig niet kan voortbewegen wanneer het gordelsysteem niet volledig is aangelegd.
2. De buitenranden van de veiligheidscel voldoen, ter voorkoming van beknelling van het hoofd of ledematen, aan hoofdstuk 3 van bijlage II van richtlijn 97/24/EG, tenzij stootkussens in mogelijke risicogebieden voor het hoofd en ledematen zijn aangebracht.
3. De gordelbevestigingspunten en het gordelsysteem voldoen aan hoofdstuk 11 van richtlijn 97/24/EG.
4. Indien het gordelsysteem, bedoeld in het derde lid, met de hand wordt bediend, is in het directe zichtveld van de bestuurder een waarschuwingssignaal van een passende lichtsterkte aangebracht, dat brandt indien bij een in bedrijf zijnde motor het gordelsysteem niet of niet volledig is aangelegd.
5. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, voldoet aan afbeelding 9 van bijlage III van richtlijn nr. 78/316/EEGvan de Raad van 21 december 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (identificatie van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters) (PbEG L 81).
6. Het waarschuwingssignaal, bedoeld in het derde lid, behoeft niet aanwezig te zijn indien het voertuig zodanig ontworpen is dat de motor het voertuig niet kan voortbewegen wanneer het gordelsysteem niet volledig is aangelegd.