BWBR0012910
Geldig vanaf 2001-11-07
Artikel XII
Vaststellingsbesluit eenmalige uitkering en wijziging van enige besluiten (arbeidsvoorwaardenovereenkomst voor de sector Defensie over de periode van 1 augustus 2000 tot en met 30 september 2001)
A. In afwijking van de artikelen 54d, tweede lid, en artikel 54e, derde lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglementen artikel 30da, tweede lid, en artikel 30db, tweede lid, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie, dient een aanvraag voor een tijdelijke verlenging of verkorting van de arbeidsduur van het rooster voor het resterende deel van het kalenderjaar 2001 vóór 15 mei 2001 te zijn ingediend bij de commandant of het bevoegd gezag.
B. In afwijking van artikel I, onderdeel J, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 71a van het Algemeen militair ambtenarenreglementvoor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
C. In afwijking van artikel I, onderdeel R, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 80b van het Algemeen militair ambtenarenreglementvoor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
D. In afwijking van artikel III, onderdeel B, wordt het maandbedrag in artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs defensievoor de periode 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 bepaald op: f 259,–.
E. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
F. In afwijking van artikel IV, onderdeel Gwordt in artikel 22, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
G. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 6bij dit besluit.
H. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
I. In afwijking van artikel V, onderdeel E, vervalt in artikel 66 het vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2000, voor de periode van 1 januari 2001 tot de datum van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel E.
J. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
K. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
L. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen Aen B van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 7en 8bij dit besluit.
M. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 9tot en met 11bij dit besluit.
N. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 12bij dit besluit.
O. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
P. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 279,39.
Q. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen Aen B van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 13en 14bij dit besluit.
R. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 15tot en met 17bij dit besluit.
S. In afwijking van artikel VII, onderdeel B, geldt ten aanzien van artikel 2, eerste lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
1. Aan de militair, die voor onbepaalde tijd wordt aangesteld bij het beroepspersoneel, kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels een premie worden toegekend, die gelijk is aan ten hoogste 20% van de bezoldiging van een kapitein van de Koninklijke landmacht met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
T. In afwijking van artikel VII, onderdeel C, geldt ten aanzien van artikel 3, tweede lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
2. De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren behorende bij de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten: a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
B. In afwijking van artikel I, onderdeel J, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 71a van het Algemeen militair ambtenarenreglementvoor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
C. In afwijking van artikel I, onderdeel R, geldt ten aanzien van het eerste en tweede lid van artikel 80b van het Algemeen militair ambtenarenreglementvoor de periode van 1 juni 2001 tot 1 juli 2001 het volgende:
1. Indien de militair op de datum waarop hij de werkelijke dienst verlaat nog aanspraak heeft op vakantieverlof, wordt hem voor iedere acht uren vakantieverlof die hem niet zijn verleend een vergoeding toegekend ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar boven afgerond. De vergoeding wordt berekend over ten hoogste twee maal de aanspraak op vakantieverlof over een vol kalenderjaar, zoals die direct voorafgaand aan het verlaten van de werkelijke dienst van de militair voor hem gold.
2. Indien op de dag, waarop de militair de werkelijke dienst verlaat, blijkt dat de militair teveel vakantieverlof heeft genoten, is hij voor iedere acht uren teveel genoten vakantieverlof, tenzij dit niet aan zijn schuld of toedoen te wijten is, een bedrag verschuldigd ten bedrage van 1/30 deel van de bezoldiging per maand als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van het Inkomstenbesluit militairen, waarop de militair direct voorafgaand aan zijn verlaten van de werkelijke dienst aanspraak had. Een gedeelte van acht uren wordt naar beneden afgerond.
D. In afwijking van artikel III, onderdeel B, wordt het maandbedrag in artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs defensievoor de periode 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 bepaald op: f 259,–.
E. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
F. In afwijking van artikel IV, onderdeel Gwordt in artikel 22, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
G. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 6bij dit besluit.
H. In afwijking van artikel IV, onderdeel B, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 7a van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
I. In afwijking van artikel V, onderdeel E, vervalt in artikel 66 het vierde lid, zoals dat luidde op 31 december 2000, voor de periode van 1 januari 2001 tot de datum van inwerkingtreding van artikel V, onderdeel E.
J. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de volgende salarisschaal:
K. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 274,18.
L. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen Aen B van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 7en 8bij dit besluit.
M. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 9tot en met 11bij dit besluit.
N. In afwijking van artikel IV, onderdeel I, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensievoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlage 12bij dit besluit.
O. In afwijking van artikel VI, onderdeel D, geldt ten aanzien van de salarisschaal, opgenomen in artikel 5a van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de volgende salarisschaal:
P. In afwijking van artikel VI, onderdeel K, wordt in artikel 14, tweede lid, van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het minimumbedrag van de vakantieuitkering bepaald op: f 279,39.
Q. In afwijking van artikel VI, onderdeel P, gelden ten aanzien van de salarisschalen, opgenomen in bijlagen Aen B van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de salarisschalen opgenomen als bijlagen 13en 14bij dit besluit.
R. In afwijking van artikel VI, onderdelen Q en R, gelden ten aanzien van de tabellen 1 tot en met 3 opgenomen in bijlage C van het Inkomstenbesluit militairenvoor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 de tabellen opgenomen als bijlagen 15tot en met 17bij dit besluit.
S. In afwijking van artikel VII, onderdeel B, geldt ten aanzien van artikel 2, eerste lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
1. Aan de militair, die voor onbepaalde tijd wordt aangesteld bij het beroepspersoneel, kan naar bij ministeriële regeling te stellen regels een premie worden toegekend, die gelijk is aan ten hoogste 20% van de bezoldiging van een kapitein van de Koninklijke landmacht met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting.
T. In afwijking van artikel VII, onderdeel C, geldt ten aanzien van artikel 3, tweede lid, van de Premieregeling en aanvullende voorzieningen beroepsmilitairen van de krijgsmacht voor de periode van 1 januari 2001 tot 1 juni 2001 het volgende:
2. De premie is ten hoogste een bedrag dat gelijk is aan het onder a tot en met d genoemde percentage van de bezoldiging met voor verhoging tellende diensttijd van 18 jaren behorende bij de rang die één rang hoger is dan de rang die verbonden is aan de functie waarvoor hij bij aanstelling is bestemd, berekend naar het aantal maanden van de voor de militair geldende verplichting, te weten: a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.
a. bij een verplichting van vier jaar of langer: 25%;
b. bij een verplichting van drie tot vier jaar: 23%;
c. bij een verplichting van twee tot drie jaar: 21%;
d. bij een verplichting van minder dan twee jaar: 20%.