BWBR0012890
Geldig vanaf 2001-10-24
Artikel 31
Besluit bevordering innovatieve ontwikkelingen stedelijke vernieuwing
1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 29voor het jaar 2001 wordt vóór 1 juni van dat jaar ingediend bij Onze Minister.
2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 29voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 mei van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders van de aanvragende gemeente zenden een aanvraag als bedoeld in artikel 29, met inachtneming van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, genoemde indieningstermijnen, in afschrift aan de provincie waarbinnen die gemeente is gelegen.
4. Gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in het derde lid, kunnen, voor de aanvang van de maand volgende op de maand, genoemd in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, Onze Minister berichten omtrent de in artikel 9, onder d, ten tweede, bedoelde strijdigheid met het provinciaal beleid, de meerwaarde van de ingediende voorstellen in regionaal verband, de eventuele samenhang tussen verschillende ingediende projecten binnen die provincie en, voorzover van toepassing, de in artikel 9, onder d, ten derde, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma.
5. Indien geen bericht als bedoeld in het vierde lid is uitgebracht, vormt Onze Minister zich op basis van de hem beschikbare informatie een oordeel over de aanvraag in relatie tot de in het vierde lid genoemde onderwerpen.
2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 29voor de jaren 2002 tot en met 2004 wordt vóór 1 mei van elk van die jaren ingediend bij Onze Minister.
3. Burgemeester en wethouders van de aanvragende gemeente zenden een aanvraag als bedoeld in artikel 29, met inachtneming van de in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, genoemde indieningstermijnen, in afschrift aan de provincie waarbinnen die gemeente is gelegen.
4. Gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in het derde lid, kunnen, voor de aanvang van de maand volgende op de maand, genoemd in het eerste, onderscheidenlijk het tweede lid, Onze Minister berichten omtrent de in artikel 9, onder d, ten tweede, bedoelde strijdigheid met het provinciaal beleid, de meerwaarde van de ingediende voorstellen in regionaal verband, de eventuele samenhang tussen verschillende ingediende projecten binnen die provincie en, voorzover van toepassing, de in artikel 9, onder d, ten derde, bedoelde strijdigheid met het gemeentelijk ontwikkelingsprogramma.
5. Indien geen bericht als bedoeld in het vierde lid is uitgebracht, vormt Onze Minister zich op basis van de hem beschikbare informatie een oordeel over de aanvraag in relatie tot de in het vierde lid genoemde onderwerpen.