BWBR0012810
Geldig vanaf 2020-12-06
Artikel 32
Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001
1. Tot de uitreiking van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort wordt slechts overgegaan indien de aanvrager beschikt over een op de aanvrager betrekking hebbend geldig document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1°, van de Wet op de identificatieplicht.
2. Indien bij de aanvraag van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort blijkt dat de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs als bedoeld in het vorige lid is verstreken, wordt de beslissing op de aanvraag pas genomen nadat het identiteitsbewijs is vervangen door een nieuw identiteitsbewijs.
3. De Minister van Buitenlandse Zaken kan een verstrekt diplomatiek paspoort of dienstpaspoort intrekken, indien de houder het diplomatiek paspoort of het dienstpaspoort in strijd met de voorwaarden waaronder het werd verstrekt heeft gebruikt.
2. Indien bij de aanvraag van een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort blijkt dat de geldigheidsduur van het identiteitsbewijs als bedoeld in het vorige lid is verstreken, wordt de beslissing op de aanvraag pas genomen nadat het identiteitsbewijs is vervangen door een nieuw identiteitsbewijs.
3. De Minister van Buitenlandse Zaken kan een verstrekt diplomatiek paspoort of dienstpaspoort intrekken, indien de houder het diplomatiek paspoort of het dienstpaspoort in strijd met de voorwaarden waaronder het werd verstrekt heeft gebruikt.