BWBR0012796
Geldig vanaf 2001-09-10
Artikel 4
Regeling impuls beroepsonderwijs voor landelijke organen 2001
1. De minister verleent de aanspraak op een aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, slechts indien het bestuur van het landelijk orgaan voor 21 september 2001 een verzoek indient bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, directie Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, postbus 25000, 2700 LZ Zoetermeer. Een verzoek dat op of na 21 september 2001 wordt ingediend wordt afgewezen.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon bij het landelijk orgaan voor het project;
b. voor welke projecten, bedoeld in artikel 2, de subsidie wordt besteed;
c. met welke landelijke organen en instellingen wordt samengewerkt;
d. een verklaring dat het landelijk orgaan voor 15 november 2001 met samenwerkingspartners kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vaststelt, volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
e. een verklaring dat het landelijk orgaan voor 1 februari 2002 een tussentijdse effectrapportage en voor 1 oktober 2002 een afsluitende effectrapportage aan de minister zendt volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
f. een verklaring dat het landelijk orgaan de producten ter beschikking stelt aan de Vereniging Colo.
3. In de effectrapportages, bedoeld in het tweede lid onder e, wordt tenminste aangegeven:
a. voor welke projecten, bedoeld in artikel 2, de subsidie wordt besteed;
b. de wijze waarop met landelijke organen en bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd en een analyse van eventuele verschillen;
4. Het project wordt voor 1 juli 2002 afgerond.
2. In het verzoek is opgenomen:
a. de naam van de contactpersoon bij het landelijk orgaan voor het project;
b. voor welke projecten, bedoeld in artikel 2, de subsidie wordt besteed;
c. met welke landelijke organen en instellingen wordt samengewerkt;
d. een verklaring dat het landelijk orgaan voor 15 november 2001 met samenwerkingspartners kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen vaststelt, volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
e. een verklaring dat het landelijk orgaan voor 1 februari 2002 een tussentijdse effectrapportage en voor 1 oktober 2002 een afsluitende effectrapportage aan de minister zendt volgens het format dat hiervoor door OCenW ter beschikking zal worden gesteld;
f. een verklaring dat het landelijk orgaan de producten ter beschikking stelt aan de Vereniging Colo.
3. In de effectrapportages, bedoeld in het tweede lid onder e, wordt tenminste aangegeven:
a. voor welke projecten, bedoeld in artikel 2, de subsidie wordt besteed;
b. de wijze waarop met landelijke organen en bedrijfsleven wordt samengewerkt;
c. welke kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gesteld;
d. in welke mate de gestelde kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen zijn gerealiseerd en een analyse van eventuele verschillen;
4. Het project wordt voor 1 juli 2002 afgerond.