BWBR0012748
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 26
Regeling straf- en afzonderingscel justitiële jeugdinrichtingen
1. De directeur kan, indien de lichamelijke of geestelijke toestand van de jeugdige dit noodzakelijk maakt, bepalen dat de jeugdige dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.
2. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies van de inrichtingsarts dan wel de kinder- of jeugdpsychiater dan wel een gedragsdeskundige in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
3. De directeur geeft de jeugdige onverwijld schriftelijk, zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot camera observatie over te gaan.
4. De directeur draagt zorg dat, indien wordt besloten tot camera observatie, de commissie van toezicht, alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, terstond hiervan in kennis worden gesteld.
2. Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies van de inrichtingsarts dan wel de kinder- of jeugdpsychiater dan wel een gedragsdeskundige in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
3. De directeur geeft de jeugdige onverwijld schriftelijk, zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal, een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot camera observatie over te gaan.
4. De directeur draagt zorg dat, indien wordt besloten tot camera observatie, de commissie van toezicht, alsmede de ouders of voogd, stiefouder of pleegouders, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, terstond hiervan in kennis worden gesteld.