BWBR0012743
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 7
Regeling toepassing mechanische middelen jeugdigen
1. Het daartoe aangewezen personeelslid of medewerker stelt zich tussen 7.00 uur en 21.00 uur ieder half uur op de hoogte van de toestand van de jeugdige. Tenminste éénmaal per uur geschiedt dit door persoonlijke waarneming.
2. Het daartoe aangewezen personeelslid of medewerker stelt zich tussen 21:00 en 07:00 uur tenminste éénmaal per uur op de hoogte van de toestand van de jeugdige.
3. Indien toepassing van het mechanische middel het risico van verstikking met zich mee zou kunnen brengen is er een vorm van permanent toezicht.
4. Het in het eerste en tweede lid bedoelde personeelslid of medewerker rapporteert zijn bevindingen zo spoedig mogelijk aan de directeur.
5. Indien de maatregel langer dan zes uur duurt stelt de aan de inrichting verbonden arts of diens plaatsvervanger zich zo spoedig mogelijk op de hoogte van de toestand van de jeugdige.
6. Indien de rapportage van het personeelslid of de medewerker of de bevindingen van de arts daartoe aanleiding geven, doch in ieder geval indien de toepassing langer dan zes uur duurt, overweegt de directeur na overleg met de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, of de toestand van de jeugdige zodanig is gewijzigd dat kan worden volstaan met de toepassing van mechanische middelen die de jeugdige minder vergaand in zijn vrijheid beperken, dan wel dat de toepassing van mechanische middelen kan worden beëindigd.
2. Het daartoe aangewezen personeelslid of medewerker stelt zich tussen 21:00 en 07:00 uur tenminste éénmaal per uur op de hoogte van de toestand van de jeugdige.
3. Indien toepassing van het mechanische middel het risico van verstikking met zich mee zou kunnen brengen is er een vorm van permanent toezicht.
4. Het in het eerste en tweede lid bedoelde personeelslid of medewerker rapporteert zijn bevindingen zo spoedig mogelijk aan de directeur.
5. Indien de maatregel langer dan zes uur duurt stelt de aan de inrichting verbonden arts of diens plaatsvervanger zich zo spoedig mogelijk op de hoogte van de toestand van de jeugdige.
6. Indien de rapportage van het personeelslid of de medewerker of de bevindingen van de arts daartoe aanleiding geven, doch in ieder geval indien de toepassing langer dan zes uur duurt, overweegt de directeur na overleg met de aan de inrichting verbonden arts of diens vervanger, of de toestand van de jeugdige zodanig is gewijzigd dat kan worden volstaan met de toepassing van mechanische middelen die de jeugdige minder vergaand in zijn vrijheid beperken, dan wel dat de toepassing van mechanische middelen kan worden beëindigd.