BWBR0012742
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 4
Regeling geprivilegieerde post jeugdigen
1. In het geval een jeugdige een brief verzendt aan een geadresseerde genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, dient voor de directeur duidelijk kenbaar te zijn aan welke persoon in welke hoedanigheid of aan welke instantie de brief gericht is.
2. Indien de directeur met het oog op de controle op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk vindt een brief als bedoeld in het eerste lid van dit artikel te openen, doet hij dit in de aanwezigheid van de jeugdige.
2. Indien de directeur met het oog op de controle op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk vindt een brief als bedoeld in het eerste lid van dit artikel te openen, doet hij dit in de aanwezigheid van de jeugdige.