BWBR0012742
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 3
Regeling geprivilegieerde post jeugdigen
1. De afzender, genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, doet de brief in een aan de betrokken jeugdige geadresseerde envelop. De afzender sluit de envelop en voegt deze in een andere envelop als bijlage bij een brief aan de directeur van de desbetreffende inrichting, waarin hij deze verzoekt de bijlage aan de betrokken jeugdige uit te reiken. Daarbij dient voor de directeur duidelijk kenbaar te zijn in welke hoedanigheid de afzender zich tot de jeugdige richt
2. Indien de directeur met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk acht de binnenste envelop van de voor een jeugdige bestemde brief te openen, dan doet hij dit in het bijzijn van de jeugdige.
3. In het geval dat een brief kennelijk afkomstig is van een afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, maar niet een dubbele envelop is gebruik, dan wordt, indien de directeur het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid.
4. In het geval de brief niet herkenbaar is als afkomstig van een afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, is de directeur niet gehouden aan het hierboven bepaalde in het tweede en derde lid.
2. Indien de directeur met het oog op de aanwezigheid van bijgesloten voorwerpen het noodzakelijk acht de binnenste envelop van de voor een jeugdige bestemde brief te openen, dan doet hij dit in het bijzijn van de jeugdige.
3. In het geval dat een brief kennelijk afkomstig is van een afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, maar niet een dubbele envelop is gebruik, dan wordt, indien de directeur het noodzakelijk oordeelt de envelop te openen, dezelfde procedure toegepast als vermeld in het tweede lid.
4. In het geval de brief niet herkenbaar is als afkomstig van een afzender genoemd in artikel 42, eerste lid, van de wet, is de directeur niet gehouden aan het hierboven bepaalde in het tweede en derde lid.