BWBR0012738
Geldig vanaf 2001-09-01
Artikel 3
Regeling urine onderzoek jeugdigen
1. De afname van urine gebeurt bij voorkeur `s ochtends vroeg.
2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het urineonderzoek aan de jeugdige medegedeeld en wordt de jeugdige uitleg gegeven over de te volgen procedure.
3. De jeugdige urineert bij voorkeur in een daartoe bestemde ruimte onder direct visueel toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker.
4. Indien de jeugdige niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in de gelegenheid gesteld. De jeugdige verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden.
5. De urine wordt in twee buizen overgegoten, waarna deze zorgvuldig worden afgesloten. Indien de directeur voornemens is een indicatie onderzoek te doen plaatsvinden wordt de urine verdeeld over drie buizen. Hierna worden stickers met een uniek registratienummer, al dan niet onder toevoeging van de naam van de jeugdige of de geboortedatum van de jeugdige, op de buizen geplakt.
6. In het bijzijn van de jeugdige controleert het personeelslid of de medewerker, of het aanvraagformulier voor het onderzoek goed en volledig is ingevuld alsmede of het nummer op de buizen overeenstemt met het nummer op het aanvraagformulier.
7. Het aanvraagformulier vermeldt in ieder geval een opgave van de volledige naam en voorletters van de jeugdige, het registratienummer van de jeugdige, de afnamedatum, het tijdstip van afname, de stoffen waarop gecontroleerd dient te worden alsmede gegevens over medicatiegebruik en relevante pathologie.
8. Zowel de jeugdige als het personeelslid of de medewerker plaatsen een handtekening op het aanvraagformulier ter bevestiging dat de procedure correct is verlopen.
2. Alvorens de urine wordt afgenomen wordt de reden van het urineonderzoek aan de jeugdige medegedeeld en wordt de jeugdige uitleg gegeven over de te volgen procedure.
3. De jeugdige urineert bij voorkeur in een daartoe bestemde ruimte onder direct visueel toezicht van een personeelslid of medewerker in een daartoe aan hem verstrekte opvangbeker.
4. Indien de jeugdige niet direct tot afgifte van de urine in staat is, wordt hij gedurende een periode van vier uur alsnog hiertoe in de gelegenheid gesteld. De jeugdige verblijft gedurende deze periode bij voorkeur in een ruimte waarin geen mogelijkheden aanwezig zijn de resultaten van de analyse te beïnvloeden.
5. De urine wordt in twee buizen overgegoten, waarna deze zorgvuldig worden afgesloten. Indien de directeur voornemens is een indicatie onderzoek te doen plaatsvinden wordt de urine verdeeld over drie buizen. Hierna worden stickers met een uniek registratienummer, al dan niet onder toevoeging van de naam van de jeugdige of de geboortedatum van de jeugdige, op de buizen geplakt.
6. In het bijzijn van de jeugdige controleert het personeelslid of de medewerker, of het aanvraagformulier voor het onderzoek goed en volledig is ingevuld alsmede of het nummer op de buizen overeenstemt met het nummer op het aanvraagformulier.
7. Het aanvraagformulier vermeldt in ieder geval een opgave van de volledige naam en voorletters van de jeugdige, het registratienummer van de jeugdige, de afnamedatum, het tijdstip van afname, de stoffen waarop gecontroleerd dient te worden alsmede gegevens over medicatiegebruik en relevante pathologie.
8. Zowel de jeugdige als het personeelslid of de medewerker plaatsen een handtekening op het aanvraagformulier ter bevestiging dat de procedure correct is verlopen.