BWBR0012691
Geldig vanaf 2001-07-28
Artikel 2
Regeling subsidie en aanvullende vergoeding beroepsbegeleidende leerweg 1 januari 2000 - 1 augustus 2001
1. De minister verleent aan een landelijk orgaan dat in 1999 een aanvullende vergoeding ontving op grond van de Regeling aanvullende vergoeding beroepsbegeleidende leerweg (Uitleg OCenW-Regelingen nr. 28 van 25 november 1998) en dat in samenwerking met een instelling overeenkomstig de voorwaarden, bedoeld in die regeling, van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2000 extra praktijkplaatsen in het kader van het ESF-project verzorgde, voor die periode subsidie.
2. De minister stelt de hoogte van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, vast door het aantal deelnemers voor dat landelijk orgaan aan het ESF-project te vermenigvuldigen met € 163,36 (f 360).
3. De minister verleent aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, die in 1999 een aanvullende vergoeding ontving op grond van de Regeling aanvullende vergoeding beroepsbegeleidende leerweg voor de periode van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2000 een aanvullende vergoeding.
4. De minister stelt de hoogte van de aanvullende vergoeding, bedoeld in het derde lid, vast door het aantal deelnemers voor die instelling aan het ESF-project te vermenigvuldigen met € 181,51 (f 400).
2. De minister stelt de hoogte van de subsidie, bedoeld in het eerste lid, vast door het aantal deelnemers voor dat landelijk orgaan aan het ESF-project te vermenigvuldigen met € 163,36 (f 360).
3. De minister verleent aan een instelling als bedoeld in het eerste lid, die in 1999 een aanvullende vergoeding ontving op grond van de Regeling aanvullende vergoeding beroepsbegeleidende leerweg voor de periode van 1 januari 2000 tot 1 augustus 2000 een aanvullende vergoeding.
4. De minister stelt de hoogte van de aanvullende vergoeding, bedoeld in het derde lid, vast door het aantal deelnemers voor die instelling aan het ESF-project te vermenigvuldigen met € 181,51 (f 400).