BWBR0012667
Geldig vanaf 2001-07-25
Artikel 10
Subsidieregeling scholingsimpuls
1. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9afwijzend is beslist het advies in van de Adviescommissie scholingsimpuls.
2. De commissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het opscholingsproject;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het opscholingsproject naar behoren uit te voeren;
c. onvoldoende aannemelijk is, dat het opscholingsproject zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd.
3. De commissie rangschikt de aanvragen waarover zij positief adviseert zodanig, dat een opscholingsproject hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. de innovativiteit van het opscholingstraject groter is;
b. het opscholingstraject meer bijdraagt aan de verhoging van de inzetbaarheid van de werknemers die dit traject gaan volgen;
c. de verwachte praktische toepasbaarheid van de resultaten van het te ontwikkelen opscholingstraject groter is;
d. de kwaliteit van de projectorganisatie groter is.
4. Voor de rangschikking door de commissie wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.
2. De commissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het opscholingsproject;
b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het opscholingsproject naar behoren uit te voeren;
c. onvoldoende aannemelijk is, dat het opscholingsproject zonder de subsidie naar verwachting niet of met belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd.
3. De commissie rangschikt de aanvragen waarover zij positief adviseert zodanig, dat een opscholingsproject hoger gerangschikt wordt naar mate:
a. de innovativiteit van het opscholingstraject groter is;
b. het opscholingstraject meer bijdraagt aan de verhoging van de inzetbaarheid van de werknemers die dit traject gaan volgen;
c. de verwachte praktische toepasbaarheid van de resultaten van het te ontwikkelen opscholingstraject groter is;
d. de kwaliteit van de projectorganisatie groter is.
4. Voor de rangschikking door de commissie wegen de in het derde lid genoemde criteria even zwaar.