BWBR0012627
Geldig vanaf 2001-07-18
Artikel V
Wijzigingsbesluit Besluit algemene rechtspositie politie, enz. (vervallen tijdelijke aanstelling surveillanten en afschaffing maandgeld voor aspiranten)
1. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel op dat tijdstip luidde, wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit aangesteld in vaste dienst, tenzij:
a. de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor het handhaven van de aanstelling in tijdelijke dienst, of
b. tegen een aanstelling in vaste dienst bedenkingen bestaan, gebaseerd op een beoordeling overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel op dat tijdstip luidde, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na afloop van de proeftijd aangesteld in vaste dienst, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt na afloop van de proeftijd een aanstelling in tijdelijke dienst te wensen op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
3. De aspirant in opleiding tot surveillant van politie die op 31 december 2000 en op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na het voltooien van de basisopleiding op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politieaangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
4. In de uitzonderingssituaties, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, blijven de artikelen 3, 90en 96 van het Besluit algemene rechtspositie politieen de Regeling vertrekpremie surveillant van politie zoals die luidden op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.
a. de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor het handhaven van de aanstelling in tijdelijke dienst, of
b. tegen een aanstelling in vaste dienst bedenkingen bestaan, gebaseerd op een beoordeling overeenkomstig artikel 71, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie.
2. De ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, die op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel op dat tijdstip luidde, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na afloop van de proeftijd aangesteld in vaste dienst, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt na afloop van de proeftijd een aanstelling in tijdelijke dienst te wensen op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
3. De aspirant in opleiding tot surveillant van politie die op 31 december 2000 en op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is aangesteld in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, na het voltooien van de basisopleiding op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit algemene rechtspositie politieaangesteld in tijdelijke dienst voor een proeftijd van één jaar, tenzij de ambtenaar aan het bevoegd gezag voor 1 mei 2001 schriftelijk en eenmalig de keuze kenbaar heeft gemaakt voor een aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, tweede en derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politiezoals dat artikel luidde op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit.
4. In de uitzonderingssituaties, genoemd in het eerste tot en met het derde lid, blijven de artikelen 3, 90en 96 van het Besluit algemene rechtspositie politieen de Regeling vertrekpremie surveillant van politie zoals die luidden op het tijdstip voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.