BWBR0006516
Geldig vanaf 2022-09-01
Artikel 89
Besluit algemene rechtspositie politie
1. Aan de aspirant die is aangesteld op grond van artikel 3, eerste lid, en in het eerste leerjaar een negatief studieadvies ontvangt, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag volgende op de dag waarop de aanstelling in tijdelijke dienst op grond van artikel 3, eerste lid, is verstreken.
2. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een proeftijd als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, die tegen het einde van de proeftijd niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
4. Eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist aan:
a. de aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
b. de ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
c. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
d. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a;
e. de vrijwilliger-aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
f. de vrijwillige ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
g. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
h. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.
5. Bij het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest, of
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.
6. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.
7. Indien het in het zesde lid bedoelde ontslag niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend op de voet van het <a href="/wet/BWBR0006517" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit bezoldiging politie</a>.
8. De aspirant en de vrijwilliger-aspirant die arbeidsongeschikt raakt tijdens de krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding en de arbeidsongeschiktheid is beroepsgerelateerd, maar de arbeidsongeschiktheid komt niet in overwegende mate voort uit ongeschiktheid voor de dienst als bedoeld in het vierde lid, onder a of e,
a. blijft in dienst en hervat zo mogelijk de politieopleiding, of, indien dit niet mogelijk is dan wel het diploma wordt vanwege die arbeidsongeschiktheid niet behaald,
b. blijft in dienst en wordt, behoudens zwaarwegend dienstbelang, zodanig geplaatst binnen de politie dat in beginsel 100% doch minimaal 50% van zijn verdiencapaciteit wordt benut, of, indien ook dit niet mogelijk is,
c. wordt door het bevoegd gezag geholpen te re-integreren bij een andere werkgever.
2. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie, die tegen het einde van de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
3. Aan de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, met een proeftijd als bedoeld in artikel 3a, tweede lid, die tegen het einde van de proeftijd niet voldoet aan de eisen van bekwaamheid of geschiktheid, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de dag, volgend op die waarop de proeftijd is verstreken.
4. Eervol ontslag kan worden verleend bij gebleken niet geschiktheid die voor de dienst wordt vereist aan:
a. de aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
b. de ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
c. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
d. de ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a;
e. de vrijwilliger-aspirant, gedurende een krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding;
f. de vrijwillige ambtenaar in opleiding, gedurende een krachtens artikel 2c, tweede lid, aangewezen politieopleiding;
g. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 3a, tweede lid;
h. de vrijwillige ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de technische, administratieve of andere taken ten dienste van de politie, gedurende de proeftijd, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a.
5. Bij het ontslag, bedoeld in het vierde lid, wordt een opzeggingstermijn in acht genomen van:
a. drie maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest;
b. twee maanden, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand ten minste zes maanden maar korter dan twaalf maanden ononderbroken in dienst is geweest, of
c. één maand, indien de ambtenaar ten tijde van de opzegging direct daaraan voorafgaand korter dan zes maanden ononderbroken in dienst is geweest.
6. Het ontslag kan, al dan niet op aanvraag van de ambtenaar, ingaan vóór de afloop van de opzeggingstermijn.
7. Indien het in het zesde lid bedoelde ontslag niet op aanvraag van de ambtenaar geschiedt, wordt hem over de tijd die aan de opzeggingstermijn ontbreekt, een bedrag uitbetaald gelijk aan de laatstgenoten bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering, berekend op de voet van het <a href="/wet/BWBR0006517" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Besluit bezoldiging politie</a>.
8. De aspirant en de vrijwilliger-aspirant die arbeidsongeschikt raakt tijdens de krachtens artikel 2c, eerste lid, aangewezen politieopleiding en de arbeidsongeschiktheid is beroepsgerelateerd, maar de arbeidsongeschiktheid komt niet in overwegende mate voort uit ongeschiktheid voor de dienst als bedoeld in het vierde lid, onder a of e,
a. blijft in dienst en hervat zo mogelijk de politieopleiding, of, indien dit niet mogelijk is dan wel het diploma wordt vanwege die arbeidsongeschiktheid niet behaald,
b. blijft in dienst en wordt, behoudens zwaarwegend dienstbelang, zodanig geplaatst binnen de politie dat in beginsel 100% doch minimaal 50% van zijn verdiencapaciteit wordt benut, of, indien ook dit niet mogelijk is,
c. wordt door het bevoegd gezag geholpen te re-integreren bij een andere werkgever.